Na 38 jaar vriendschap wilden Kees en Marijke dat wij onze rust opgaven voor hun wereldreis

Het begon eigenlijk met een spreadsheet.

Kees stuurde hem op een dinsdagavond in onze groepsapp. Ik zat met mijn sokken op de bank, Els was boven een kast aan het uitzoeken omdat ze eindelijk tijd had voor dat soort dingen. De bestandsnaam was: ‘Plan 2026-2029 definitief v3’. Daaronder stond: ‘Jullie zitten nog wel in de startgroep toch? Anders moeten we even schakelen.’

Ik opende hem zonder veel na te denken. Een wereldreis, verdeeld over drie winters en een paar losse maanden. Japan, Nieuw-Zeeland, Patagonië, een camper door Canada, daarna nog een stuk van de Camino. Inclusief geschatte kosten per stel. Ruim zestigduizend euro, en dan waren de etentjes en extra excursies blijkbaar nog niet meegerekend.

Ik weet nog dat ik vooral naar het getal keek. Niet omdat we het per se niet konden betalen. We hebben allebei gewerkt, ik bij een installateur en later als planner, Els in het basisonderwijs. We wonen hypotheekvrij in Amersfoort, hebben geen gekke schulden. Maar zestigduizend euro voelde voor mij niet als ‘geld voor herinneringen’. Het voelde als bijna al onze ruimte om de komende jaren rustig te kunnen leven.

Els kwam beneden met een stapel oude schoolmappen onder haar arm. Ze zag mijn gezicht en zei: “Wat heeft Kees nou weer bedacht?”

Toen ik het haar liet zien, lachte ze eerst. Echt zo’n lach van: ja hoor, natuurlijk heeft hij een Excelbestand gemaakt van zijn pensioen.

Maar ze bleef steeds langer stil terwijl ze scrolde.

Kees en Marijke kennen we al sinds 1987. Onze kinderen zaten toen ongeveer tegelijk op zwemles en we woonden twee straten van elkaar af. Het begon met koffie in de tuin, later met samen kamperen in Frankrijk. Wij hadden een vouwwagen waar altijd iets aan kapot was, zij een veel te grote tent waar je rechtop in kon staan. Toen de kinderen ouder werden, bleven we over. Elke vrijdag eten, om en om. Soms eenvoudig, stamppot of pasta, soms uitgebreid als Marijke weer een kookboek had gekocht.

Toen mijn vader in het ziekenhuis lag, bracht Kees me erheen omdat ik na een nachtdienst te moe was om te rijden. Toen Marijke borstkanker had, heeft Els maandenlang voor hen gekookt zonder dat daar veel woorden aan vuilgemaakt werden. Dat is ook waarom dit zo lastig is. Het zijn niet zomaar mensen die je minder vaak ziet omdat agenda’s uit elkaar lopen. Zij zitten verweven in bijna alles wat wij als volwassen leven kennen.

Alleen: wij waren moe geworden.

Niet somber of ziekelijk moe. Gewoon klaar met altijd ergens heen moeten. Ik was vorig jaar met vervroegd pensioen gegaan en Els stopte afgelopen zomer. We hadden jarenlang gezegd dat we dan een tijdje nergens een wekker voor zouden zetten. Lezen. Naar de bibliotheek fietsen. Op woensdagmiddag wandelen op de Utrechtse Heuvelrug als het niet regende. Misschien in het najaar twee weken naar Texel of Drenthe, buiten de schoolvakanties.

Ik had daar oprecht zin in. Els ook, dacht ik.

Kees en Marijke zagen pensioen totaal anders. Zij waren al drie keer in een jaar op reis geweest sinds Kees stopte. Marijke leerde Italiaans via een app, Kees had een motor gekocht terwijl hij vroeger altijd zei dat hij motoren levensgevaarlijk vond. Ze waren enthousiast, en ik gunde het ze. Eerst echt wel.

Alleen werd hun enthousiasme langzaam iets waar wij ons toe moesten verhouden.

“Jullie worden oud vóór je oud bent,” zei Kees een keer, toen we hadden afgezegd voor een fietsvakantie in Slovenië. Hij zei het met een glimlach en sloeg op mijn schouder, dus ik deed alsof het grappig was.

Els zei in de auto terug dat ze daar verdrietig van werd.

“Misschien bedoelt hij alleen dat hij ons erbij wil hebben,” zei ik.

“Ja,” zei ze. “Maar hij wil ons erbij hebben op zijn manier.”

Bij het vrijdageten na die spreadsheet was de sfeer meteen raar. Marijke had stoofperen gemaakt en Kees schonk wijn in alsof we een verjaardag vierden. Er lag een print van de route op tafel, met van die gekleurde markeringen.

“We dachten,” begon Marijke, “dat het juist fijn is om dit nu samen te doen. Later weet je nooit hoe je erbij zit.”

Dat vond ik moeilijk om tegenin te gaan. Natuurlijk weet je dat niet. Mijn broer kreeg op zijn 62e een hartinfarct. Een oud-collega van Els is vorig jaar overleden, twee maanden na haar pensioen. Die dingen hangen altijd ergens in je hoofd.

Kees zei dat we de eerste etappe konden overslaan als drie maanden te veel was. “Maar Canada en Nieuw-Zeeland moeten jullie echt doen. Anders snap ik niet wat we nog gezamenlijk plannen, eerlijk gezegd.”

Ik vroeg wat hij daarmee bedoelde.

Hij haalde zijn schouders op. “Nou ja, we hebben straks eindelijk tijd. Als jullie alleen maar een beetje in Nederland willen rommelen, dan gaan onze levens wel erg uit elkaar lopen.”

Els keek naar haar bord. Ik kende die houding. Als zij heel stil wordt, is ze óf diep geraakt óf zo boos dat ze bang is iets verkeerds te zeggen.

Ik zei dat we erover na zouden denken, wat laf was. Ik wist die avond al dat ik niet drie maanden in een camper door Canada wilde rijden. Ik hou niet eens van lange autoritten. Na twee uur wil ik koffie, een wc en naar huis. En Els slaapt slecht in vreemde bedden. Dat is geen karakterfout. Zo zijn we gewoon.

Toch hebben we er weken over gepraat. Vooral ik maakte het ingewikkeld. Ik rekende bedragen uit, keek naar reisverzekeringen, zocht zelfs of er rustiger georganiseerde reizen bestonden. Alsof het probleem opgelost kon worden als ik maar een comfortabele versie van hun plan vond.

Els zei op een ochtend: “Je bent iets aan het regelen waar je helemaal niet heen wilt.”

Dat kwam hard aan, omdat het waar was.

Ik was vooral bang voor de leegte als Kees en Marijke weg zouden vallen. Voor de vrijdagen zonder berichtje over wie kookt. Voor het feit dat we op feestdagen misschien niet automatisch ergens bij horen. Vriendschap na bijna veertig jaar voelt niet als iets wat je kunt afzeggen met een nette app.

Uiteindelijk hebben we hen uitgenodigd voor koffie, op een maandagmiddag. Geen wijn, geen diner. Ik dacht dat het dan misschien zakelijker bleef, al klinkt dat vreemd.

Ik zei dat we niet meegingen met de wereldreis. Niet met een deel, niet ‘misschien later’. We wilden wel graag een week samen weg in Nederland of België, en we wilden de vrijdagavonden houden, maar niet meer elke week. Eén keer per maand zou voor ons fijner zijn.

Marijke begon meteen te huilen. Niet overdreven, maar echt gekwetst. Ze zei dat ze zich had vergist in hoe wij naar hen keken. Kees zei heel weinig. Uiteindelijk zei hij: “Dus wij zijn te veel geworden.”

Daar had ik geen goed antwoord op. Want soms voelde het inderdaad zo. Maar dat wilde niet zeggen dat zij als mensen te veel waren.

Els zei, heel zacht: “Nee. De plannen zijn te veel voor ons.”

Kees knikte, maar op een manier die duidelijk maakte dat hij het verschil niet geloofde.

Dat is nu vier maanden geleden. De vrijdagavonden bestaan niet meer zoals eerst. We hebben twee keer gegeten, beide keren wat stroef. Kees vertelt vooral over visa, vaccinaties en een camperclub. Marijke stuurt foto’s van wandelschoenen die ze heeft gekocht. Wij reageren vriendelijk, maar ik merk dat Els haar telefoon steeds vaker weglegt zonder te antwoorden.

Volgende maand vertrekken ze voor het eerste deel, zes weken Japan. Marijke vroeg gisteren of wij hun planten water willen geven. Els zei ja voordat ik iets kon zeggen.

Ik was daar eerst geïrriteerd over. Daarna dacht ik: natuurlijk zegt ze ja. Dat zouden zij vroeger ook voor ons hebben gedaan.

Ik weet niet of onze vriendschap weer iets vanzelfsprekends wordt. Misschien zijn we straks gewoon mensen die elkaar al heel lang kennen en af en toe bijpraten. Dat vind ik nog steeds pijnlijk om op te schrijven.

Maar afgelopen zondag liepen Els en ik een rondje langs de Eem. Het was koud, er stond zo’n dun winterzonnetje en we hadden broodjes mee in een papieren zak. We zeiden bijna niets. Op de terugweg vroeg Els of we in april een huisje op Schiermonnikoog zouden boeken.

Ik zei: “Ja, doe maar.”

Toen hebben we thuis koffie gezet en zijn we naast elkaar aan de keukentafel naar huisjes gaan kijken.