Na veertig jaar vrijdagavond zegden we ineens af bij Henk en Marja
De app met de tekst dat we die vrijdag niet kwamen, heb ik drie keer getypt en weer weggehaald.
Uiteindelijk stuurde Els hem. Niet omdat zij harder is dan ik, maar omdat ik steeds bleef hangen op woorden als “te veel” en “even rust nodig”. Alsof je daarmee iets zegt zonder te zeggen wat je bedoelt.
We kennen Henk en Marja al sinds 1981. Els werkte toen op de administratie van een aannemer in Amersfoort en Marja kwam daar een paar ochtenden in de week schoonmaken. Henk en ik raakten aan de praat bij een voetbalwedstrijd van de jongens. Daarna ging het vanzelf. Kamperen in Frankrijk met twee gammele vouwwagens. Verjaardagen waar iedereen te veel wijn dronk. Onze dochters die samen naar de middelbare gingen en elkaar daarna een tijd niet konden luchten of zien. Toen mijn vader stierf, stond Henk de volgende ochtend met een thermoskan koffie voor de deur. Hij was nooit iemand van grote woorden, maar hij was er.
De laatste vijftien jaar hadden we onze vrijdag. Om de beurt koken, meestal te uitgebreid. Eerst wandelen, ook als het miezerde, langs de Eem of door het park. Daarna eten tot veel te laat, met een toetje dat niemand eigenlijk meer nodig had. Het was een vaste plek in de week geworden. Niet spectaculair, maar juist daarom zo dierbaar.
Anderhalf jaar geleden begon Henk dingen te vergeten. Eerst grapten we er nog over. Hij vroeg twee keer of Els nog steeds in het onderwijs werkte, terwijl ze al zeven jaar met pensioen is. Daarna vergat hij bij ons thuis waar de wc was. Hij stond ineens in de bijkeuken, keek naar de cv-ketel en zei: “Jullie hebben verbouwd.”
Marja lachte dan snel. “Hij heeft gewoon een druk hoofd.”
Maar Henk had nooit een druk hoofd gehad. Henk wist altijd waar alles lag, wie wanneer jarig was, welke wijn bij stoofvlees hoorde. Hij deed vroeger de financiële administratie van zijn eigen installatiebedrijf uit zijn hoofd, leek het wel.
De diagnose kwam afgelopen voorjaar: Alzheimer, nog in een beginfase. Marja vertelde het ons tijdens een wandeling, vlak voor de brug bij de jachthaven. Ze hield haar handen diep in haar jaszakken en keek niet naar ons.
“Ze kunnen er tegenwoordig van alles mee,” zei ze. “En hij is verder hartstikke fit. We gaan vooral door zoals we altijd deden.”
Dat laatste zei ze zo stellig dat ik alleen maar knikte. Els pakte even haar arm vast. Henk liep een stukje voor ons uit en probeerde een eend te lokken met een droog blaadje.
In het begin lukte doorgaan ook wel. Hij herhaalde verhalen, maar ach, dat doen we allemaal op onze leeftijd. Alleen werd het sneller anders dan ik had verwacht. Henk raakte tijdens het koken overstuur omdat hij niet meer wist waarom hij zijn jas uit moest doen. Een keer was hij ervan overtuigd dat Els zijn portemonnee had weggelegd. Hij zei het niet schreeuwend, eerder op die gekwetste, wantrouwige toon die juist zo naar binnen sloeg.
“Jij zat als laatste naast mijn stoel,” zei hij tegen haar.
Els werd bleek. Marja nam meteen over. “Henk, doe niet zo raar. Je portemonnee ligt gewoon thuis.”
“Hoe weet jij dat?” vroeg hij.
Daarna zat hij de hele avond stil. Bij het afscheid gaf hij Els een kus op haar wang en zei hij dat het een gezellige avond was geweest. Alsof er niks gebeurd was.
Els huilde in de auto. Niet hard, maar met haar gezicht naar het raam. Ze zei: “Ik weet dat hij het niet is. Maar het kwam wel binnen.”
Ik zei dat Henk het niet zo bedoeld had, wat natuurlijk een idiote reactie was. Alsof bedoeling de wond altijd kleiner maakt.
We probeerden voorzichtig iets voor te stellen. Niet meer dat hele diner met drie gangen en een wandeling ervoor. Gewoon ’s middags koffie bij de Theetuin, of bij iemand thuis soep en brood. Misschien eens om de twee weken in plaats van elke vrijdag.
Marja hoorde alleen wat wij niet letterlijk zeiden.
“Dus Henk is jullie te lastig geworden.”
“Dat zeggen we niet,” zei ik.
“Maar dat bedoelen jullie wel. Jullie willen hem alleen nog zien als hij makkelijk is.”
Els werd toen boos, voor het eerst echt. Ze zei dat zij Henk al ruim veertig jaar kende en dat het haar juist pijn deed om te doen alsof er niets aan de hand was. Marja keek haar aan alsof Els haar verraden had.
“Hij merkt heus wel wanneer mensen hem anders behandelen,” zei ze. “Jullie maken hem kleiner als jullie alles gaan aanpassen.”
Daar zat iets in waar ik geen antwoord op had. Want natuurlijk wilde ik niet dat Henk een project werd. Geen man die we voorzichtig moesten begeleiden alsof hij er niet bij zat. Hij was onze vriend. Hij had nog steeds die droge opmerkingen soms, en als hij lachte was hij gewoon Henk.
Maar er waren ook avonden waarop hij drie uur lang aan stond, zonder rust. Dan wilde hij naar huis, vijf minuten later wilde hij juist nog koffie, vervolgens vroeg hij waarom Marja zo commanderend deed. Marja bleef corrigeren, sussen, invullen. Zij at nauwelijks nog zelf. Haar bord stond koud te worden terwijl ze Henk steeds opnieuw vertelde dat we al aan tafel zaten, dat de wandeling morgen niet hoefde, dat nee, zijn moeder niet in de gang stond.
En wij speelden mee. Niet eens omdat Marja het eiste, maar omdat je anders niet weet wat je moet doen. Je zegt niet: je moeder is al dertig jaar dood, Henk. Je zegt: “Nee joh, die komt vandaag niet.” Daarna praat je snel over het weer of over de boodschappen bij de Plus.
Op een gegeven moment keek Els op vrijdagmiddag al gespannen. Ik ook, als ik eerlijk ben. Ik schaamde me daarvoor. Henk was degene die ziek was, Marja droeg bijna alles, en wij waren moe van één avond in de week.
De vrijdag die we afzegden was na een bijzonder nare avond bij ons thuis. Henk had tegen mij gezegd dat ik Marja tegen hem opstookte. Ik weet nog steeds niet waarom. Hij wees met zijn vork naar me, er zat jus op zijn overhemd, en hij zei dat ik al jaren jaloers was op zijn huis. Dat rijtjeshuis in Hoogland waar ze sinds 1986 wonen. Ik werd zo overvallen dat ik moest lachen, verkeerd natuurlijk. Henk liep naar de gang om zijn jas te pakken. Marja greep zijn arm vast en hij rukte zich los.
Later zei Marja geen sorry. Ze zei alleen: “Hij kan er niets aan doen.”
Dat wist ik. Maar ik kon er blijkbaar ook niets aan doen dat het me raakte.
Els stuurde dus: “Marja, we slaan vanavond over. We zijn allebei op en hebben behoefte aan een rustige avond. Laten we binnenkort bellen.”
De drie puntjes verschenen bijna meteen. Toen niets. Een uur later kwam er: “Duidelijk. Jullie willen blijkbaar niet meer bij ons horen nu het moeilijk wordt.”
Ik heb de telefoon de rest van de avond niet aangeraakt. We aten patat van de snackbar, aan de salontafel, met het journaal aan zonder dat we keken. Het voelde laf en tegelijk als opluchting. Die combinatie vind ik misschien nog het ergst.
Marja belt nu bijna niet meer. Henk stuurde vorige week zelf een berichtje: “Vrijdag wandelen?” Ik weet niet of hij wist dat het aan mij was of dat Marja had geholpen. Ik heb teruggestuurd dat het misschien beter was om eerst een keer koffie te drinken, gewoon overdag.
Hij antwoordde met een duimpje.
Van Marja heb ik niets gehoord. Els wil haar nog een kaart sturen, maar ik denk steeds dat een kaart ook weer te klein is voor wat er tussen ons hangt. Toch ligt er al drie dagen een bos bloemen op het aanrecht die we voor haar hadden gehaald. De tulpen zijn inmiddels slap gaan hangen. Ik moet ze eigenlijk weggooien, maar dat lukt me steeds niet.