Na 32 jaar Frankrijk zei mijn man ineens dat hij liever alleen op vakantie ging dan nog één keer met onze vriendengroep
De groepsapp heet nog steeds ‘Frankrijk, zoals vroeger’. Iedere keer als ik die naam zie, krijg ik tegenwoordig een beetje een knoop in mijn maag.
We gaan al tweeëndertig jaar met min of meer dezelfde mensen op vakantie. Eerst met kleine kinderen die op de achterbank ruzieden om cassettebandjes, later met pubers die liever in Nederland waren gebleven, en de laatste jaren met z’n achten. Mijn man Kees en ik, Frank en Marjan, Rob en Ellen, en Hans en Loes.
Het was nooit chic. Juist niet. We huurden gîtes in de Dordogne of de Ardèche, maakten om de beurt eten, dronken te veel rosé en bespraken eindeloos waar we de volgende dag heen zouden gaan. De een wilde een marktje, de ander kanoën, Kees wilde altijd een wandeling die uiteindelijk langer was dan hij had gezegd. Iedereen had iets te zeggen. Ook als we het niet eens werden, was dat onderdeel van de lol.
Sinds Kees vorig jaar met pensioen ging, is er iets gaan schuiven. Hij heeft veertig jaar bij de gemeente gewerkt, eerst op de buitendienst en later als werkvoorbereider. Hij mist zijn werk soms, denk ik. Niet eens het vroeg opstaan of de vergaderingen, maar dat mensen hem belden omdat ze wilden weten hoe iets moest.
Frank werkt nog steeds. Eigen bedrijf, vastgoed en iets met duurzame bedrijfspanden, al snap ik eerlijk gezegd nooit precies wat. Hij heeft het goed voor elkaar. Dat mag ook. Hij heeft hard gewerkt, zegt Marjan altijd, en dat geloof ik meteen.
Maar Frank is de laatste twee jaar anders geworden in de groep. Of misschien zie ik het nu pas.
Vorig jaar begon het met opmerkingen die als grapje gebracht werden. Kees stelde een eenvoudig hotel voor in Beaune, omdat we daar vroeger eens lekker hadden gegeten.
Frank reageerde: ‘Ach Kees, jij bent nu natuurlijk gewend aan de kantineprijzen.’
Iedereen lachte een beetje. Kees ook, maar te laat. Ik zag het aan zijn gezicht. Daarna ging Frank gewoon door: dat we best eens mochten ervaren wat echte luxe was, dat je op onze leeftijd niet meer op harde matrassen moest liggen, dat het leven te kort was voor middelmatige wijn.
Het gekke is: ik houd ook van een fijn hotel. Ik hoef niet meer op een luchtbed onder een lekkend dak. Maar Frank gebruikte het niet als voorstel. Hij zei het alsof hij ons iets moest leren.
Dit voorjaar zette hij ineens een link in de groepsapp. Een villa bij Aix-en-Provence, met zwembad, buitenkeuken, zes slaapkamers en een soort poolhouse. Mooi hoor, daar niet van. Ook belachelijk groot. De prijs was 2.450 euro per stel voor negen nachten, exclusief reis, boodschappen en uit eten.
‘Ik heb hem alvast vastgelegd,’ schreef Frank. ‘Anders ben je te laat. Dit is echt iets voor ons. Geen gedoe dit jaar.’
Ik las het bericht aan de keukentafel terwijl Kees de vaatwasser uitruimde. Hij had zijn bril nog niet op en vroeg wat er was.
Ik zei het bedrag.
Hij zette een schaal iets te hard op het aanrecht. Niet kapot, maar ik schrok er wel van.
‘Hij heeft hem vastgelegd?’ vroeg hij.
‘Ja. Waarschijnlijk kunnen we nog wel overleggen.’
Kees keek me aan. ‘Wat valt er dan nog te overleggen, Anja?’
In de app kwamen de reacties druppelend binnen. Ellen stuurde drie hartjes en schreef dat het er prachtig uitzag. Rob: ‘Poeh, flinke investering, maar wel bijzonder.’ Loes vroeg alleen of er airco was. Marjan schreef: ‘Frank heeft echt iets moois gevonden.’
Niemand vroeg wat de rest ervan vond. Niemand zei: zullen we eerst even bellen?
Die avond ging ik bij mijn zus koffie drinken en vertelde ik erover. Zij zei meteen dat we gewoon niet moesten gaan. Alsof het een kwestie was van een afspraak afzeggen bij de tandarts.
Maar zo voelt het niet. Deze mensen kennen ons hele leven. Ellen was erbij toen mijn moeder overleed. Rob heeft Kees geholpen toen onze zoon Bram na zijn scheiding tijdelijk bij ons op de bank sliep en Kees door zijn rug was gegaan. Marjan en ik hebben jarenlang samen naar de kinderen gekeken op woensdagmiddag.
Je zegt niet zomaar: zoek het uit met jullie villa.
Kees wilde dat wel. Niet letterlijk, hij is daar te netjes voor. Hij zei dat hij Frank zou bellen en dat hij wilde weten waarom die steeds deed alsof wij in zijn gezelschap mochten meelopen.
Ik zei dat Frank het vast niet zo bedoelde.
Dat was laf van me, denk ik. Of misschien wilde ik het zelf gewoon graag geloven.
‘Jij hoort hem toch ook?’ vroeg Kees. ‘Dat gezeur over dat wij niet weten wat goed is. Alsof ik na mijn pensioen ineens een kneus ben geworden.’
Ik zei dat pensioen hem misschien ook gevoeliger maakte.
Daar had ik meteen spijt van. Hij werd heel stil. Hij pakte zijn leesbril van tafel, maakte hem schoon terwijl hij hem niet eens op had, en zei: ‘Dus het ligt aan mij.’
Dat had ik niet gezegd. Maar wel een beetje bedoeld, als ik eerlijk ben. Niet omdat hij ongelijk had, maar omdat ik bang was dat hij alles op scherp zou zetten.
Een paar dagen later belde Frank zelf. Niet met Kees, maar met mij. Kees was boodschappen doen.
Hij praatte snel, alsof hij tussen twee afspraken door belde. Hij zei dat hij hoorde dat Kees twijfelde en dat hij dat jammer vond. Vervolgens zei hij: ‘Jullie hebben toch een prima pensioen? En anders kunnen we best kijken hoe we het praktisch oplossen. Maar dit soort dingen doe je nu, Anja. Over vijf jaar hebben we misschien nergens meer zin in.’
Ik weet nog dat ik naar de fruitschaal keek. Er lagen drie zachte peren in die ik al dagen wilde weggooien.
Hij bedoelde het misschien goed. Dat is het ergste. Frank denkt werkelijk dat hij voor ons allemaal regelt wat wij zelf niet durven kiezen.
Ik zei dat het niet alleen om het geld ging. Hij antwoordde: ‘Nee, dat snap ik. Kees heeft moeite met veranderingen sinds hij thuiszit.’
Toen werd ik ineens kwaad. Niet schreeuwen kwaad, maar koud. Ik zei: ‘Kees heeft geen moeite met veranderingen. Hij heeft moeite met dat jij beslist voor acht volwassenen.’
Het bleef een seconde stil. Daarna zei Frank: ‘Nou ja, als dat zo ligt, moet hij dat zelf maar zeggen.’
Kees heeft hem die avond gebeld. Ik zat boven de was op te vouwen en hoorde hem beneden praten. Niet alles, maar genoeg. Hij bleef opvallend rustig. Hij zei dat hij niet meeging naar de villa en dat hij het vervelend vond dat de vakantie zonder overleg was ingevuld. Ook zei hij dat hij zich al langer kleiner gemaakt voelde in de groep.
Frank schijnt gezegd te hebben dat Kees overal een probleem van maakte. Dat vertelde Kees pas later, toen hij in bed lag met zijn rug naar mij toe.
De volgende ochtend kwam er een bericht van Marjan in de app. Of we alsjeblieft normaal konden doen, want Frank had ‘met de beste bedoelingen’ geboekt en nu dreigde de hele vakantie ingewikkeld te worden. Ellen stuurde me privé dat ze Kees ergens wel begreep, maar dat ze geen zin had in gedoe.
Geen zin in gedoe. Ik snap het. Ik heb er zelf ook geen zin in.
Maar ik merk dat ik nu vooral boos ben op iedereen die zwijgt. Misschien ook op mezelf, omdat ik zo lang met ze mee ben gegaan om de sfeer goed te houden.
Kees heeft een klein huisje gevonden in Noord-Frankrijk, bij de Opaalkust. Geen zwembad, geen buitenkeuken, gewoon een appartementje boven een bakker. Hij wil in september gaan, met de auto. Hij heeft zelfs al gekeken waar je kunt fietsen.
Ik heb nog niet gezegd dat ik definitief mee ga. Dat klinkt vreselijk, nu ik het opschrijf. Alsof ik moet kiezen tussen mijn man en een groepsapp.
Maar ik mis die mensen nu al, en we zijn nog niet eens vertrokken.
Vanmiddag stuurde Rob een foto van de villa. ‘Dit moet toch leuk kunnen worden met elkaar’, schreef hij erbij.
Kees heeft niet gereageerd. Ik ook niet.
De reservering moet volgende week betaald worden. Kees heeft de folder van dat huisje aan zee op de eettafel laten liggen, opengevouwen bij een foto van een grijs strand met twee lege strandstoelen.