Mijn man vindt dat we onze vrienden op vakantie moeten verzorgen, maar ik trek het niet meer
Vorige week stond ik in de Action met een pak servetten in mijn hand, terwijl ik eigenlijk alleen batterijen nodig had. Ik keek naar die servetten en dacht ineens: vrijdag moeten we weer naar Erik en Marjan, dan moet ik iets meenemen, want Marjan heeft geen energie meer om boodschappen te doen.
Het was zo’n dom moment. Ik stond daar bijna te huilen om papieren servetten. Niet omdat ik geen zin had in vrijdag, nou ja, misschien ook wel. Vooral omdat ik mezelf niet meer herkende.
Erik en Marjan zijn al ruim dertig jaar onze vrienden. Mijn man Henk kende Erik nog van de tennisvereniging in Amersfoort. Ik vond Marjan eerst wat direct, maar we bleken dezelfde droge humor te hebben. We gingen jarenlang elke zondag wandelen. Soms twintig kilometer, soms gewoon een rondje langs de Eem met koffie en appeltaart ergens halverwege. In de zomer aten we bij elkaar in de tuin. Niet ingewikkeld. Pastasalade, een wijntje, Henk die te hard de barbecue aanstak en Erik die dan zei dat hij de brandweer alvast zou bellen.
We waren nooit van dat overdreven sentimentele. Als iemand jarig was, kwam je. Als er gedoe was met werk of met een kind, luisterde je. Meer hoefde niet.
Zes jaar geleden begon Erik moeilijker te lopen. Eerst een voet die sleepte. Daarna die stok. De diagnose kwam pas na allerlei onderzoeken: een neurologische aandoening die geleidelijk erger zou worden. Ik weet nog dat hij tijdens dat gesprek bij hen thuis heel opgewekt een koffie voor me inschonk en zei: “Nou, ik word dus een beetje een gammel model.” Marjan keek hem toen aan alsof ze hem wel door elkaar wilde schudden.
In het begin deden we gewoon wat rustiger aan. Kortere wandelingen, terrasjes waar je goed kon parkeren. We kochten een opvouwbare rolstoel voor langere stukken, op advies van de ergotherapeut. Henk vond dat allemaal vanzelfsprekend. Ik ook. Tenminste, toen nog wel.
Maar het schoof steeds op.
Marjan belde vaker. Soms met een echte vraag: of Henk een lamp kon ophangen, omdat Erik niet meer op een trapje kon. Of ik met haar naar het ziekenhuis wilde omdat ze niet alleen wilde wachten. Natuurlijk deden we dat. Mijn eigen moeder had vroeger ook hulp nodig, ik weet hoe lang dagen kunnen duren als je afhankelijk wordt.
Alleen bleven het geen losse vragen. De zondagse wandeling werd een vaste middag bij hen thuis. Henk deed dan vaak iets aan Erik zijn scootmobiel of rommelde in de schuur. Ik hielp Marjan met koken, omdat Erik zich verslikte als hij te gehaast at en zij daar zenuwachtig van werd. Daarna zaten we met z’n vieren aan tafel, maar het voelde steeds minder als samen eten en steeds meer als zorgen dat alles goed verliep.
Als we eens afzegden omdat we een weekend naar onze dochter in Zwolle gingen of omdat ik gewoon een boek wilde lezen en nergens heen wilde, reageerde Marjan meestal netjes. “Natuurlijk, geniet ervan.” Maar Erik zei dan soms: “Geeft niks, wij zijn er volgende week nog wel.”
Dat klinkt niet eens gemeen als je het zo leest. Hij zei het ook met een lachje. Toch bleef het bij me hangen.
Sinds ik met pensioen ben, is het erger geworden in mijn hoofd. Misschien had ik een verkeerd beeld van pensioen. Ik dacht niet dat we elke dag met de camper door Frankrijk zouden trekken. Maar ik dacht wel dat er ruimte zou komen. Een ochtend zwemmen zonder op de klok te kijken. Een keer naar de markt in Utrecht. Zomaar thuisblijven als het regent.
In plaats daarvan heb ik het gevoel dat onze agenda voller is dan toen ik nog drie dagen in de bibliotheek werkte. Alleen staan er nu geen vergaderingen in, maar afspraken die ik niet hardop afspraken durf te noemen.
De vakantie kwam ter sprake op een woensdagavond. We hadden soep gegeten bij Erik en Marjan. Erik was die dag moe, dat zag je aan zijn ogen. Hij zat in zijn verstelbare stoel en praatte toch enthousiast.
“Wij hebben iets gevonden in Limburg,” zei hij. “Een aangepaste vakantiewoning. Alles gelijkvloers, hoog-laagbed, aangepaste douche. Bijzonder mooi ook. In Gulpen.”
Ik zei nog dat dat fijn klonk.
Toen keek hij naar Henk. “Maar het is natuurlijk wel fijner als jullie meegaan. Niet alleen voor de gezelligheid. Met overstappen en zo. En Henk kan me misschien helpen bij het douchen als het lastig wordt. Marjan kan dat ook wel, maar die heeft haar rug.”
Mijn lepel viel niet uit mijn hand of zo. Ik knikte zelfs, denk ik. Henk zei meteen: “Ja joh, daar komen we wel uit.”
Pas in de auto terug zei ik: “Wat bedoelde hij precies met helpen douchen?”
Henk keek alsof ik iets heel vreemds vroeg. “Nou, helpen. Als Erik dat nodig heeft.”
“Maar wij zouden daar dan een week heen gaan als… wat eigenlijk?”
“Als vrienden.”
Ik werd boos, veel bozer dan ik had verwacht. Ik zei dat vrienden toch niet automatisch onbetaalde zorgverleners waren. Dat die vakantie helemaal geen vakantie voor mij zou zijn. Dat ik niet nog een week wilde opletten of Erik veilig zat, of Marjan het volhield, of er boodschappen moesten komen.
Henk werd stil. Hij rijdt altijd iets harder als hij kwaad is, niet gevaarlijk, maar ik merk het. Bij de rotonde bij Hoevelaken zei hij: “Wat wil je dan? Dat we zeggen: jammer Erik, zoek het maar uit?”
“Dat heb ik niet gezegd.”
“Zo komt het wel over.”
Thuis hebben we nauwelijks gepraat. De volgende ochtend maakte hij koffie voor zichzelf en niet voor mij, wat kinderachtig is, maar na 41 jaar huwelijk weet ik dat hij dan gekwetst is. Hij zei later dat hij bang was voor wat er gebeurt als wij ons terugtrekken. Erik heeft steeds minder mensen om zich heen. Sommige oude kennissen haken af omdat ze het ongemakkelijk vinden. Henk wil niet ook zo iemand zijn.
Daar snap ik alles van. Echt.
Maar ik vertelde hem ook iets wat ik lang had weggestopt: dat ik soms op vrijdag in de auto naar Erik en Marjan zit en hoop dat zij afbellen. Dat ik me daarna vreselijk voel. Dat ik Marjan niet meer spontaan bel, omdat elk gesprek eindigt met een lijstje van dingen die nog geregeld moeten worden. Dat ik soms doe alsof ik hoofdpijn heb, alleen maar om een middag op de bank te mogen zitten zonder nuttig te zijn.
Henk zei toen, zachter: “Maar zij kiezen hier toch ook niet voor?”
Nee. Dat is het verschrikkelijke eraan. Erik kiest er niet voor dat zijn lichaam hem in de steek laat. Marjan kiest er niet voor dat ze altijd alert moet zijn. En ik kies er blijkbaar ook niet voor dat ik minder kan geven dan ik graag over mezelf zou willen geloven.
We hebben de vakantie nog niet afgezegd. Henk wil eerst met hen bespreken wat ze precies verwachten. Hij vindt dat ik mee moet naar dat gesprek. Ik wil dat eigenlijk niet, omdat ik bang ben dat Erik me aankijkt met die vermoeide, koppige ogen van hem en dat ik dan toch ja zeg tegen alles.
Misschien gaan we uiteindelijk een paar dagen in plaats van een week. Misschien regelen Erik en Marjan thuiszorg voor bepaalde momenten, ook al vindt Erik het vreselijk dat een vreemde hem helpt. Misschien wordt het een ongemakkelijk gesprek en verandert er iets tussen ons wat niet meer terug te draaien is.
Vanmiddag heb ik alsnog batterijen gekocht. En geen servetten. Vrijdag neem ik gewoon een bos tulpen mee, als we gaan. Dat deed ik vroeger ook weleens. Toen was het alleen een bos tulpen, niet het begin van een hele middag waarin ik mezelf kwijt ben.