Na dertig jaar zei ik nee tegen ons vriendenweekend, en ineens leek het alsof ik mijn hele leven afwees
De stille appgroep is erger dan een ruzie.
Normaal vliegen er op maandagmorgen al foto’s over en weer van kleinkinderen, een verkeerd gebakken appeltaart of iemand die bij de Lidl een aanbieding voor wijn heeft gezien. Nu staat er bovenaan alleen: “Jaarlijks vriendenweekend 🍂”, met daaronder mijn bericht van vorige week.
“Marijke gaat wel, ik sla deze keer over.”
Zeven mensen hebben het gelezen. Niemand heeft iets teruggestuurd.
We zijn met z’n achten: ik en Marijke, Theo en Els, Kees en Anja, en Rob met zijn vrouw Nienke. Al dertig jaar, ongeveer. Eerst via de straat in Amersfoort, toen de kinderen klein waren en overal met hun fietsen in de weg stonden. Vrijdagavond een biertje in de tuin van de een of ander, zondags soms samen naar het bos. Toen kwamen de vakanties, de vijftigersfeestjes, de bruiloften van de kinderen. En sinds een jaar of twaalf dat vaste weekend in november, meestal ergens op de Veluwe.
Het was nooit officieel dat je overal bij hoorde te zijn. Maar eigenlijk was het dat wel.
Als Theo een barbecue organiseerde, was je er. Als Nienke weer eens haar verjaardag op zaterdagmiddag vierde met van die blokjes kaas en leverworst op tafel, dan ging je. Als iemand ziek was, werd er een rooster gemaakt voor soep, boodschappen en bezoek. Dat klinkt warm, en dat is het ook geweest. Ik wil daar niet flauw over doen. Toen mijn moeder in het verpleeghuis zat en ik er doorheen zat, stond Kees een keer zonder aankondiging op de stoep om mijn heg te snoeien. Hij zei alleen: “Die groeit toch door, ook als jij even geen zin hebt.”
Maar er zat altijd iets onder. Je vertelde dingen pas als iedereen het ongeveer al wist. Je had meningen, maar niet te veel afwijkende. Rob stemt al zijn hele leven VVD en Theo moppert op alles wat met “die Randstad” te maken heeft, terwijl we zelf gewoon in Amersfoort wonen. Als ik daar tegenin ging, werd er gelachen alsof ik een beetje moeilijk deed.
“Jan heeft weer een nieuwe fase,” zei Els dan.
Dat was genoeg om het onderwerp dicht te duwen.
Vroeger vond ik dat niet zo erg. Ik werkte veertig jaar bij een installatiebedrijf. Planning, klanten, gedoe met monteurs die onderweg waren maar niet opnamen. Thuis wilde ik rust. Marijke en ik hadden onze plek in die groep. Zij regelde vaak de cadeaus en wist van iedereen precies welke dochter in scheiding lag of wie een nieuwe knie kreeg. Ik haalde bier, stak de barbecue aan, luisterde naar Theo’s verhalen die ik inmiddels letterlijk kende.
Sinds ik vorig jaar stopte met werken, is er iets verschoven. Niet ineens, hoor. Eerst waren er de klusjes. De schuur opruimen, de zolder, fietsen wegbrengen. Daarna merkte ik dat ik op dinsdagmiddag gewoon in de trein naar Utrecht kon stappen omdat ik zin had om door het Spoorwegmuseum te lopen. Ik ben een cursus houtdraaien gaan doen bij het buurthuis. Daar zitten mensen die ik anders nooit gesproken zou hebben: een vrouw van 42 die in de zorg werkt, een Syrische man die meubels repareert, een jongen van 25 die eigenlijk meubelmaker wil worden maar nu nog bij een callcenter zit.
Ik kwam daar thuis met verhalen waar Marijke weinig mee had. Niet omdat ze ongeïnteresseerd is. Ze zei dan: “Leuk voor je,” en vroeg daarna of ik zaterdag wel had gezien dat we om half acht bij Theo verwacht werden.
Op een gegeven moment begon ik al op donderdag tegen die zaterdag op te zien. Niet tegen de mensen afzonderlijk. Tegen de rol die ik daar weer moest spelen. De rustige Jan. Degene die lacht als Kees een grap maakt over elektrische auto’s. Degene die zegt dat hij het prima vindt waar we eten, ook als we voor de vierde keer naar hetzelfde pannenkoekenrestaurant gaan.
Toen het weekend ter sprake kwam, ergens in augustus, zei ik nog niks. Het huisje was al besproken door Els. Drie slaapkamers, twee badkamers, een houtkachel, precies als andere jaren. In de app werd een boodschappenlijst gemaakt nog voordat iemand had gevraagd of iedereen überhaupt kon.
Een maand geleden zat ik met Marijke aan de keukentafel. Ze was bezig met de administratie, ik had net een folder van de Volksuniversiteit op tafel gelegd. Ik wilde in november een weekendworkshop meubelmaken doen in Deventer. Toevallig hetzelfde weekend.
Ik zei dat ik niet mee wilde naar de Veluwe.
Marijke keek eerst niet op. “Dan doe je die workshop toch een andere keer?”
Ik zei dat het niet alleen om die workshop ging.
Toen keek ze wel op. Ze had die blik die ze ook heeft als de cv-ketel een vreemd geluid maakt: eerst nadenken, dan pas ongerust worden.
“Ik wil gewoon een keer niet,” zei ik. “En misschien volgend jaar ook niet. Ik trek het niet meer zo.”
“Wat trek je niet meer?”
Dat is het lastige. Als iemand tegen je schreeuwt, kun je aanwijzen wat er gebeurt. Hier is het vooral het gevoel dat ik langzaam kleiner word zodra ik daar binnenstap. Dat klinkt overdreven als je het hardop zegt, dus ik zei iets doms als: “Altijd hetzelfde gedoe.”
Marijke werd rood in haar gezicht. “Altijd hetzelfde gedoe? Dat zijn onze vrienden, Jan.”
“Ik weet het.”
“Nou, blijkbaar niet.”
Ze zei dat ik sinds mijn pensioen rusteloos was. Dat ik overal iets nieuws van moest maken. Misschien had ze daar gelijk in. Ik ben ook wel erg enthousiast over die houtdraaicursus, dat geef ik toe. Maar ik ben niet van plan motor te gaan rijden of naar Bali te vertrekken. Ik wilde alleen niet drie dagen doen alsof ik het fijn vond om aan een lange tafel te zitten waar we al jaren dezelfde verhalen vertellen.
Marijke zei daarna iets waar ik niet goed antwoord op had. “Jij kunt op dinsdag in je eentje naar Utrecht, je maakt makkelijk een praatje. Maar voor mij is dit niet zomaar een weekend. Dit is mijn vaste grond.”
Ik heb haar gevraagd wat ze bedoelde.
Ze haalde haar schouders op en zei: “Jij was altijd werken. De kinderen hebben hun eigen leven. Mijn zus woont in Zeeland en belt als ze toevallig in de auto zit. Zij zijn er gewoon.”
Daar zat ik dan, met mijn behoefte aan vrijheid, tegenover mijn vrouw die eigenlijk zei dat ik aan haar netwerk stond te trekken. En dat netwerk was ook mijn netwerk, hoe benauwd het soms voelde.
Toch heb ik niet toegegeven. Ik heb Els gebeld, wat ik vreselijk vond. Ik zei dat Marijke gewoon meeging, maar dat ik dit jaar oversloeg. Ze was eerst heel stil en vroeg toen of er “iets speelde”. Dat zinnetje kende ik al. Niet: gaat het goed met je? Maar: welk geheim moeten wij nu opvangen?
Ik zei dat er niks speelde.
“Nou ja,” zei Els, “je doet wat je wilt natuurlijk. Maar het is wel een beetje jammer voor de groep.”
Later hoorde Marijke via Anja dat Kees had gezegd dat ik blijkbaar te goed was geworden voor het jaarlijkse weekend. Rob zou hebben gevraagd of ik soms in een midlifecrisis zat, wat op mijn leeftijd ook nogal flauw is. Misschien is het allemaal minder scherp gezegd dan het bij Marijke terechtkwam. In zo’n groep worden woorden onderweg altijd iets ronder of juist puntiger.
Marijke gaat vrijdag. Theo haalt haar op, omdat ze niet graag in het donker over de A1 rijdt. Ze heeft haar tas al half ingepakt op de logeerkamer. Wandelschoenen, medicatie, een fleecevest. Vanmorgen vroeg ze of ik echt niet alsnog mee wilde.
Niet boos. Dat maakte het erger.
Ik zei nee.
Ze knikte alleen en vouwde een trui op. Daarna vroeg ze of ik zaterdag dan wel even bij de Praxis een lampje voor de buitenlamp wilde halen, omdat zij dat steeds vergeet.
Ik zei natuurlijk dat ik dat zou doen.
Mijn workshop in Deventer heb ik uiteindelijk niet geboekt. Ik weet niet eens precies waarom. Misschien omdat ik geen bewijsstuk wilde maken van mijn gelijk. Dit weekend blijf ik thuis. Zaterdag ga ik waarschijnlijk naar het buurthuis om aan een schaaltje te draaien dat waarschijnlijk scheef wordt.
En zondagmiddag komt Marijke terug. Ik weet niet of ze veel zal vertellen of juist bijna niks. De appgroep staat nog steeds stil.