Na veertig jaar viel onze vaste vriendenavond stil omdat mijn man niet langer alles wilde regelen

De eerste vrijdag van deze maand heb ik de vaas met tulpen niet op tafel gezet. Dat klinkt misschien overdreven, maar ik doe dat al jaren automatisch. Eerst even stoffen, de grote tafel uitschuiven, extra stoelen uit de berging halen, schaaltjes nootjes vullen. Henk haalde dan bier bij de slijter en ik maakte meestal iets van soep of een grote pan chili, afhankelijk van het seizoen.

Die vrijdag stonden de tulpen nog in hun plastic hoes in de bijkeuken. Henk zat aan de keukentafel met de krant en zei niks. Om halfacht keek ik toch even naar buiten, alsof er iemand per ongeluk bij ons aan zou bellen.

Veertig jaar geleden leerden we de meesten kennen op de camping in Frankrijk. Henk en ik hadden toen een veel te kleine tent en onze oudste, Maarten, was net twee. Karel en Monique stonden naast ons met een vouwwagen. Later kwamen Jos en Ria erbij, via Henk zijn werk bij de gemeente, en Peter en Ellen via de tennisclub. Het is zo gegroeid. Eerst kampeerweekenden, daarna etentjes, verjaardagen, oud en nieuw. Toen de kinderen groter werden en iedereen het druk had, werd het de eerste vrijdag van de maand.

Niet altijd bij ons, officieel. Maar in de praktijk wel.

Soms gingen we bowlen of naar een voorstelling in DeLaMar, soms een weekendje naar Limburg. Maar Henk regelde de appjes, de reserveringen en wie er nog geld moest overmaken. Ik hield bij wie geen vis lustte, wie tijdelijk geen wijn dronk, dat Ria slecht ter been was sinds haar heupoperatie en dat Ellen na negen uur eigenlijk liever niet meer over haar dochter wilde praten.

Ik vond het nooit vreselijk. Daar wil ik eerlijk in zijn. Ik hield van een vol huis. En ik ben ook niet iemand die rustig kan toekijken als er niks gebeurt. Als iemand zei: ‘Zullen we eens iets plannen?’, had ik vaak diezelfde avond al drie opties opgezocht.

Maar Henk is in januari gestopt met werken. Hij was opzichter bij de buitendienst, altijd onderweg, altijd mensen achter hun broek aan zitten. Ik dacht dat hij zou opknappen van meer tijd. In het begin deed hij dat ook. Hij fietste, rommelde in de tuin, ging op dinsdagmorgen naar de markt. Alleen werd hij de laatste maanden steeds korter als de groepsapp weer begon.

‘Henk, waar gaan we volgende maand heen?’ schreef Karel dan.

Of: ‘Anja, kunnen jullie niet gewoon weer bij jullie? Is het zo gezellig.’

Dat laatste was vast lief bedoeld. Maar Henk legde zijn telefoon dan met een klapje op tafel.

Op een zondag zei hij ineens: ‘Ik ben er klaar mee.’

Ik stond aardappels te schillen. Ik dacht eerst dat hij het over de tuin had, omdat de schutting opnieuw geverfd moest worden.

‘Waarmee?’ vroeg ik.

‘Met dat hele verzorgen. Iedereen vindt het vanzelfsprekend dat wij het doen. Ze komen binnen, drinken ons bier, zeggen dat het heerlijk was en gaan weer. En de volgende maand wachten ze tot wij weer iets verzinnen.’

Ik zei dat het toch ook ónze vrienden waren. Dat we ze niet hoefden uit te nodigen als we geen zin hadden. Dat vond hij juist het punt.

‘We hoeven dus nooit geen zin te hebben, Anja. Want dan gebeurt er gewoon niks.’

Daar had hij gelijk in. Alleen klonk het uit zijn mond alsof onze hele geschiedenis een administratieve fout was geweest.

Hij stelde voor om in de groepsapp een rooster te zetten. Iedereen een maand. De persoon die aan de beurt was, bepaalde wat we deden en wat het kostte. Geen gedoe meer met Henk die achter betaalverzoeken aan zat. Wie niet kon of niet wilde, regelde onderling een ruil.

Ik vond een rooster voor vrienden eerlijk gezegd verschrikkelijk. Alsof we op de basisschool de klassenplant bijhielden. Maar ik wist ook dat hij al jaren meer deed dan ik wilde toegeven. Ik was zelf ook gewend geraakt aan het feit dat ik nergens over na hoefde te denken, zolang het bij ons plaatsvond.

Hij stuurde het bericht op een woensdagochtend. Best netjes, vond ik achteraf. Hij schreef dat we het na al die jaren leuk zouden vinden als iedereen om de beurt iets organiseerde, en dat hij een schema had gemaakt tot en met december. Ook schreef hij dat de kosten voortaan bij de organisator lagen om vooraf duidelijk te maken.

Binnen een uur belde Monique mij.

‘Gaat het wel goed met Henk?’ vroeg ze.

Ik zei: ‘Hoe bedoel je?’ terwijl ik precies wist wat ze bedoelde.

Ze vond het bericht zo afstandelijk. Alsof ze lid waren van een vereniging. Zij en Karel hadden het financieel niet ruim, zei ze. Karel had sinds zijn hartinfarct minder uren gewerkt en hun auto was net door de APK gekomen met een rekening waar ze niet op gerekend hadden. Ik zei dat het niet ging om dure uitjes. Een wandeling met koffie kon ook.

‘Maar jullie vinden het toch juist leuk om mensen over de vloer te hebben?’ zei ze.

Daar bleef ik even stil van. Niet omdat het onwaar was, maar omdat ik ineens hoorde hoe vast dat beeld van ons bij iedereen zat.

De eerste maand op het rooster was Peter. Hij stelde voor om bij hen thuis te gourmetten. Ellen vond dat prima, zei hij, al had ze geen zin in een heel gedoe. Iedereen reageerde enthousiast met duimpjes en een paar lachende gezichtjes.

Toen kwam Karel zijn maand. Hij stuurde niets.

Henk wachtte tot een week van tevoren. Toen stuurde hij in de app: ‘Karel, wil je laten weten wat het plan is voor vrijdag? Dan kunnen mensen rekening houden met hun agenda.’

Ik voelde al dat dat verkeerd zou vallen. Karel antwoordde pas die avond: ‘Wij slaan deze ronde over. Niet zo van de verplichte nummertjes.’

Daaronder bleef het lang stil. Zelfs Ria, die normaal overal meteen op reageert, zei niks.

Henk schreef: ‘Het is niet verplicht. Maar als niemand iets wil organiseren, is er die maand blijkbaar geen bijeenkomst.’

Toen belde Karel hem. Ik zat in de woonkamer en hoorde Henk in de keuken steeds harder praten, al kon ik Karels woorden niet verstaan.

‘Nee, dat is niet hetzelfde.’

En even later: ‘Veertig jaar iets doen betekent niet dat het voor eeuwig mijn taak is.’

Na het gesprek was hij bleek. Hij zei dat Karel hem controlerend vond. Dat hij van iets vrijblijvends een systeem maakte. Henk zei dat Karel niet begreep dat het systeem er al was, alleen betaalden wij er met tijd en geld voor.

Ik heb die avond ruzie met Henk gemaakt, wat laf van me was, want eigenlijk was ik vooral bang. Ik zei dat hij geen gevoel had voor verhoudingen. Dat je vrienden niet op een rooster zet. Hij zei dat ik alleen bang was dat niemand meer bij ons wilde komen als we niet alles voor ze klaarzetten.

Dat deed pijn omdat er iets in zat.

De vrijdag waarop Karel aan de beurt was, kwam er dus niets. Geen berichtje, geen alternatief. Peter zette rond drie uur in de app: ‘Jammer. Volgende maand dan maar weer.’ Monique reageerde met een verdrietig gezichtje. Meer niet.

Henk en ik hebben die avond alsnog patat gehaald bij de snackbar aan het plein. Thuis aten we op schoot voor een programma waar we allebei nauwelijks naar keken. Om negen uur zei Henk: ‘Rustig eigenlijk.’

Ik zei: ‘Ja.’ Maar ik vond het geen rust. Ik vond het een gat waar normaal stemmen doorheen liepen.

Peter heeft inmiddels zijn gourmetavond gedaan. Het was best gezellig, zei iedereen. Alleen Ellen had zichtbaar stress van tevoren; ze had voor acht mensen moeten schoonmaken in een huis waar ze zelf ook niet veel ruimte hebben. Ria stelde daarna een lunch bij een pannenkoekenhuis voor, maar dan moest iedereen wel zelf betalen. Daar ontstond weer gedoe over, niet openlijk gemeen, meer van die lange berichten waarin mensen zeggen dat ze ‘geen punt willen maken’ en vervolgens toch een punt maken.

Volgende maand zijn wij weer aan de beurt volgens het rooster. Henk wil niets organiseren. Hij zegt dat wij onze beurt al veertig jaar hebben gehad. Ik snap hem. Echt. Maar gisteren heb ik toch gekeken of het zaaltje bij de volkstuin nog vrij is voor een koffieochtend. Niet omdat ik weer alles wil overnemen. Denk ik.

De tulpen van die eerste vrijdag zijn uiteindelijk slap geworden in de bijkeuken. Ik heb ze weggegooid zonder dat Henk het zag. Daarna heb ik de vaas afgewassen en terug in de kast gezet, achter de glazen schaal die we nooit gebruiken.