Na dertig jaar vriendschap voelt onze vakantie ineens als verraad

De koelbox staat al drie dagen half ingepakt in de bijkeuken. Twee flessen water, een pak crackers, zonnebrand die over datum is, en mijn wandelschoenen ernaast. We zouden over twee weken tien dagen naar de Vogezen gaan. Niet ver, gewoon met de auto en een huisje dat mijn man Henk via een collega had gevonden.

Ik krijg het niet voor elkaar om die tas dicht te ritsen.

Vroeger gingen we met z’n vieren weg. Henk en ik, en Theo en Marjan. Al dertig jaar ongeveer. Eerst met tenten, toen onze kinderen nog klein waren en iedereen elkaars luchtbed lekte. Later met huisjes, omdat we allemaal vonden dat een normaal bed geen overbodige luxe was geworden. We fietsten, kookten uitgebreid, dronken te veel wijn op de laatste avond en maakten plannen die nooit doorgingen.

Het was geen vriendschap waarbij je elke dag bij elkaar over de vloer kwam. Juist daarom werkte het misschien zo goed. We belden als er iets was. We hielpen elkaar verhuizen, pasten op elkaars katten, vierden verjaardagen. Als Theo een lekkage had, belde hij Henk. Als mijn moeder naar een verzorgingshuis moest, stond Marjan naast me met een thermoskan koffie en een tas broodjes. Zo ging dat gewoon.

Vorig najaar kreeg Marjan de uitslag. Alvleesklierkanker, met uitzaaiingen. Ik weet nog dat Theo het ons vertelde in hun keuken. Hij had de vaatwasser open laten staan. Zo’n raar detail dat in mijn hoofd is blijven hangen. Marjan zat aan tafel met een vest over haar pyjama en zei steeds dat ze vooral niet wilde dat iedereen haar anders ging behandelen.

Dat is natuurlijk precies wat er gebeurt.

In het begin deden we wat volgens mij iedereen voor goede vrienden zou doen. Henk reed Theo naar het ziekenhuis als hij niet wilde parkeren of als Marjan opgenomen werd. Ik haalde boodschappen, maakte een pan soep, ging met Marjan mee naar een afspraak bij de oncologie toen Theo zelf griep had. We waren er op slechte dagen, en soms ook op gewone dagen waarop je alleen maar wilt praten over de Action, het weer, of een irritante buurvrouw.

Maar langzaamaan werd het iets anders.

Theo belt nu soms drie keer per dag. Niet altijd omdat er iets acuut is. Vaak weet hij gewoon niet wat hij met zichzelf aan moet. Dan zegt hij: “Kunnen jullie even langskomen? Marjan slaapt, maar ik trek dit niet alleen.”

En dan zitten we daar. Theo praat, Henk zet thee, ik vouw een stapel was op omdat ik niet goed weet waar ik anders naar moet kijken. Soms zijn we na een uur weer weg. Soms pas na vierenhalf uur, omdat Theo ineens besluit dat de medicijnen op zijn en hij niet durft te bellen met de apotheek.

Hij heeft een dochter, Saskia, maar die woont in Zwolle en werkt vier dagen. Zijn broer woont in Spanje. Er zijn buren die heus vriendelijk zijn, maar Theo wil hen niet vragen. “Die kennen ons niet zoals jullie ons kennen,” zegt hij dan.

Dat klinkt lief. Het voelt alleen steeds minder lief.

Henk zei een paar maanden geleden voor het eerst dat het zo niet door kon gaan. We waren onderweg terug van Theo en Marjan, het was kwart voor elf ’s avonds en we hadden eigenlijk die middag naar de verjaardag van mijn nichtje gemoeten. Die hadden we afgezegd. Weer.

“Wij zijn geen achterwacht die 24 uur per dag paraat moet staan,” zei Henk.

Ik werd meteen boos. Niet eens omdat hij ongelijk had, denk ik. Maar omdat ik niet wilde horen dat er een grens was. Als je ernstig ziek bent, heb je toch geen kantooruren? Verdriet ook niet.

“Dus wat stel je voor?” zei ik. “Dat we zeggen: sorry Theo, morgen tussen tien en twaalf kunnen we weer meeleven?”

Henk keek alleen naar de weg. Dat doet hij als hij vindt dat ik onredelijk ben en geen zin heeft om er een ruzie van te maken.

Thuis zei hij: “Ik mis jou ook, Els.”

Dat kwam harder aan dan ik had verwacht.

Want hij had gelijk dat ons leven kleiner was geworden. We zeggen afspraken af omdat Theo misschien belt. We drinken geen wijn meer als we samen uit eten gaan, omdat Henk soms nog moet rijden. Ik slaap met mijn telefoon op het nachtkastje, geluid aan. En als ik eens niet opneem, krijg ik later een berichtje van Theo: Bel me alsjeblieft terug. Het is belangrijk. Soms gaat het dan over een factuur die hij niet begrijpt, of over dat Marjan geen trek had in yoghurt.

Dat laatste klinkt gemeen als ik het opschrijf. Alsof ik haar ziekte terugbreng tot yoghurt. Dat wil ik helemaal niet. Marjan is mijn vriendin. Zij is degene die ziek is. Maar door alle paniek van Theo lijkt zij soms bijna op de achtergrond te raken.

De vakantie hadden we al voorzichtig besproken. Marjan wist ervan en zei zelfs dat we moesten gaan. Ze was toen nog redelijk goed. “Als ik jullie was, zou ik ook niet tien dagen naar mijn gejammer willen luisteren,” zei ze. Daarna moest ze lachen en kreeg ze pijn van het lachen.

Vorige week vertelde Henk het aan Theo. Niet als mededeling met veel gedoe, gewoon aan de telefoon. Hij zei dat we van 4 tot en met 14 juni weg zouden zijn, dat Saskia die periode een paar dagen zou komen en dat we natuurlijk vóór die tijd mee wilden denken over boodschappen en vervoer.

Theo werd stil. Daarna zei hij: “Dus jullie gaan gewoon op vakantie terwijl Marjan hier doodziek ligt.”

Henk vertelde het me die avond. Hij stond aardappels te schillen en schilde ineens veel te dik.

Ik heb Theo later gebeld, omdat ik vond dat ik dat moest doen. Hij nam pas de volgende ochtend op.

“Je begrijpt toch wel dat dit voelt alsof jullie ons laten vallen?” zei hij.

Ik zei dat we hem niet lieten vallen. Dat we al maanden bijna elke dag bezig waren met hoe het met hen ging. Dat Henk moe was, en ik ook. Dat wij ook nog een leven hadden dat niet ineens verdwenen was omdat Marjan ziek werd.

Het bleef een afschuwelijk gesprek. Theo zei dat hij blijkbaar altijd had gedacht dat onze vriendschap meer betekende. Ik zei, veel te scherp, dat hij van ons geen professionele hulpverlener of familie kon maken omdat dat hem op dat moment beter uitkwam.

Daar heb ik meteen spijt van gehad. Niet van de boodschap misschien, wel van de manier. Hij huilde. Ik ook, maar pas nadat ik had opgehangen.

Sindsdien stuurt hij alleen praktische appjes. Of we donderdag de rolstoel kunnen ophalen. Of Henk naar de bouwmarkt kan voor een drempelhulp. Ik antwoord wel, maar niet meteen meer. Henk vindt dat goed. Hij zegt dat we concrete dingen kunnen blijven doen, maar dat we niet meer op elk moment beschikbaar zijn.

Gisteren ben ik alleen bij Marjan geweest. Theo was even naar de supermarkt. Ze lag op de bank met een deken over haar benen en zei dat ze het jammer vond dat het zo was gelopen.

“Hij is bang,” zei ze zacht. “En als Theo bang is, gaat hij trekken aan alles wat nog vastzit.”

Ik wist niet wat ik daarop moest zeggen. Ik heb haar hand vastgehouden en later haar planten water gegeven, terwijl zij sliep.

We gaan waarschijnlijk wel naar de Vogezen. Ik zeg waarschijnlijk, omdat ik nog steeds denk dat ik op het laatste moment de boeking ga annuleren. Henk heeft de route al uitgeprint. Hij doet alsof het allemaal normaal is, maar ik zie dat hij ook telkens op zijn telefoon kijkt.

De koelbox staat nog steeds open. Morgen koop ik nieuw brood voor onderweg. Of ik zet alles terug in de kast. Ik weet het eerlijk gezegd nog niet.