Na 34 jaar vriendschap vroeg mijn beste vriendin of wij een half jaar naar Spanje wilden komen voor de zorg van haar moeder
De caravan staat sinds vorige week op de oprit, half ingepakt. Henk loopt er elke ochtend even naartoe alsof hij wil controleren of hij er nog staat. Hij is net twee maanden met pensioen en had een route door Frankrijk, Spanje en Portugal uitgezocht. Niet strak gepland, zei hij steeds. Gewoon kijken waar we blijven hangen.
Ik had daar zin in. Echt. Na al die jaren waarin hij in de installatietechniek werkte en ik drie dagen op een basisschool stond, dachten we: nu mag het ook eens een beetje over ons gaan.
Maar nu staat die caravan daar als iets waar ik bijna niet naar durf te kijken.
Ingrid en ik kennen elkaar sinds 1990. We woonden toen allebei in een nieuwbouwwijk in Amersfoort, met kleine kinderen, te weinig geld en van die beige vloerbedekking die iedereen toen blijkbaar mooi vond. Onze mannen raakten bevriend via het voetbal van de oudste jongens. Daarna ging het snel. Zaterdagavond eten, samen op wintersport als het lukte, elk jaar een weekje naar een huisje in Drenthe of Zeeland. Toen onze kinderen groter werden, bleven wij over.
Ingrid weet dingen van mij die Henk niet eens allemaal weet. Niet omdat ik iets voor hem achterhoud, maar omdat je met een vriendin soms anders praat. Zij was er toen mijn vader stierf. Ik was er toen Paul een tijd zonder werk zat en zij deden alsof het prima ging, terwijl ik aan alles merkte dat het niet prima ging.
Vier jaar geleden kochten Ingrid en Paul een klein huisje bij Dénia, aan de Spaanse kust. Geen villa of zo. Een oud huisje buiten het centrum, met een terras waar altijd wel iets aan kapot was. Ingrid haar moeder, Ria, woonde daar al langer. Eerst zelfstandig in een appartement. Later werd ze vergeetachtig. Toen nog wat meer vergeetachtig. En uiteindelijk kon ze niet meer alleen blijven.
Ingrid en Paul gingen steeds vaker die kant op. Eerst om de paar maanden, toen bijna elke zes weken. Ze regelden thuiszorg, belden met artsen die slecht Engels spraken en nog slechter terugbelden, en probeerden haar moeder zover te krijgen dat ze naar Nederland kwam. Dat wilde Ria niet. Ze zei telkens dat ze in Spanje was gaan wonen om oud te worden met zon, niet om terug te keren naar regen en een aanleunwoning.
Ik vond dat eerlijk gezegd ook ingewikkeld. Begrijpelijk, maar ingewikkeld.
De afgelopen winter ging het mis. Ria was gevallen in haar badkamer en had daarna een longontsteking gekregen. Ze kwam erdoorheen, maar was ineens veel afhankelijker. Ingrid en Paul waren sinds januari bijna voortdurend in Spanje. Paul doet op afstand nog wat administratie voor zijn oude werkgever, maar dat stelt weinig voor. Ingrid slaapt slecht, heeft last van haar maag en praat soms zo snel dat ik haar nauwelijks kan volgen.
We hebben geholpen waar we konden. Boodschappen in hun huis gedaan, post opengemaakt, hun auto naar de apk gebracht. Henk heeft Paul een paar keer geholpen met allerlei formulieren die naar Spanje moesten. Ik belde Ingrid bijna elke avond.
Toen kwam dat telefoontje, drie weken geleden.
Ik stond net prei te snijden. Henk zat aan tafel met zo’n campinggids op zijn tablet. Ingrid klonk eerst heel rustig. Té rustig. Ze vertelde dat de particuliere hulp die ze geregeld hadden, was gestopt omdat haar man ziek was. De thuiszorg kwam maar beperkt. Ria was ’s nachts onrustig en overdag soms boos. Paul en Ingrid deden om beurten nachten, maar ze konden niet meer.
Toen zei ze: ‘Zouden jullie misschien een tijdje hierheen kunnen komen?’
Ik dacht nog aan twee weken. Misschien drie. Ik zei dat we dat moesten overleggen.
‘Nee, ik bedoel echt een poos,’ zei ze. ‘Een halfjaar misschien. Dan kunnen we een rooster maken. Jij zou bij mijn moeder kunnen zijn als wij dingen regelen of even slapen. En Henk kan Paul helpen met vervoer en klusjes. Het is ook fijn als er mensen zijn die haar al kent.’
Ik weet nog dat er een sliertje prei aan mijn mes hing. Zo’n onbenullig detail, maar dat zie ik steeds voor me.
Ik zei niet meteen nee. Dat was misschien mijn fout. Ik zei: ‘Ingrid, jeetje. Laat me even nadenken.’
Henk had natuurlijk alles gehoord. Hij deed zijn tablet dicht en keek me aan. Niet boos, eerder geschrokken.
‘Een halfjaar?’ vroeg hij.
Ik knikte.
Hij zei: ‘Marleen, wij gaan toch niet emigreren om de moeder van Ingrid te verzorgen?’
Dat klonk hard. Ik zei ook meteen dat het niet alleen om haar moeder ging, maar om Ingrid en Paul, die erdoorheen zaten. Hij zuchtte en zei dat hij dat heus zag. Maar volgens hem werd er nu gedaan alsof wij de oplossing waren voor iets waar niemand een oplossing voor heeft.
Daar kreeg hij weer gelijk in, en daar had ik op dat moment juist helemaal niets aan.
De dagen erna werd het tussen ons stroef. Niet met ruzie schreeuwen, zo zijn wij niet. Eerder dat Henk extra lang in de schuur bleef en ik op de bank zat met mijn telefoon in mijn hand zonder Ingrid terug te bellen. Hij zei dat hij zijn hele werkzame leven rekening had gehouden met anderen: met storingsdiensten, klanten, collega’s, met mij en de kinderen. Nu wilde hij wandelen, fietsen, ergens koffie drinken zonder op de klok te kijken. Hij wilde misschien in het voorjaar met de caravan naar de Pyreneeën. Hij had het zelfs over een paar weken vrijwilligerswerk op een camping, omdat hem dat leuk leek.
‘Mag dat dan eindelijk een keer?’ vroeg hij.
Ik zei: ‘Ja, maar mag Ingrid dan gewoon verzuipen omdat wij vakantie willen vieren?’
Dat was gemeen. Dat weet ik wel. Hij zei niets terug, en ik had liever gehad dat hij wel boos was geworden.
Vorige zondag belde Paul mee. Dat doen ze normaal nooit; meestal spreek ik Ingrid apart. Hij vertelde dat Ria twee keer was weggelopen. Eén keer naar de supermarkt, in haar pyjama-achtige nachthemd en slippers. Een buurvrouw had haar teruggebracht. Hij klonk kapot.
Toen zei Ingrid: ‘Als jullie dit niet kunnen doen, moet je dat gewoon zeggen. Maar dan weten we ook waar we aan toe zijn.’
Er viel een stilte waarin ik al voelde wat erna zou komen.
‘Want eerlijk,’ zei ze, ‘na alles wat we voor elkaar zijn geweest, vind ik het moeilijk te begrijpen als er nu ineens een grens ligt.’
Henk, die aan de andere kant van de kamer zat, schudde direct zijn hoofd. Ik voelde mijn wangen warm worden. Niet alleen omdat zij dat zei, maar omdat een deel van mij hetzelfde dacht. Als het andersom was, zou ik dan niet hopen dat Ingrid kwam? Natuurlijk wel.
Maar ik zag Henk ook zitten. 63 jaar, voor het eerst sinds zijn zestiende geen agenda van een baas. Hij had zich verheugd op iets wat voor anderen misschien kinderachtig klinkt: op een dinsdagmorgen zonder reden naar de markt, op een lange fietstocht, op niet nodig zijn.
Ik heb tegen Ingrid gezegd dat ik twee weken naar Spanje wil komen. Misschien drie, als Henk dat redt met de caravan of als hij later komt. Ik wil daar helpen uitzoeken wat er mogelijk is: meer particuliere zorg, een andere woonplek voor Ria, misschien toch een terugkeer naar Nederland als er geen andere veilige optie is. Ik weet dat het niet genoeg is. Ingrid vond het ook niet genoeg.
Ze zei alleen: ‘Dus Henk heeft besloten.’
Ik had moeten zeggen dat ik óók besloten had. Of dat ik nog niet wist wat ik besloot. Maar ik zei niets. Ik schaam me daar nog steeds voor.
Sindsdien stuurt ze korte berichten. Praktische dingen vooral. Geen foto’s meer van haar kleinkinderen, geen grapjes over Paul die weer een Spaanse monteur probeert te begrijpen. Gisteren stuurde ze: ‘Ria heeft vannacht weer niet geslapen. Ik kan echt niet meer.’
Ik heb haar teruggestuurd dat ik zaterdag een vlucht boek.
Henk zegt dat hij me naar Schiphol brengt. Hij zegt ook dat hij niet wil dat ik terugkom en hem verwijt dat hij onze vriendschap kapotgemaakt heeft. Misschien is dat precies waar ik bang voor ben: dat ik straks in Spanje zit, Ingrid niet genoeg kan helpen, Henk thuis boos en alleen is, en er na dertig jaar ineens niets meer vanzelf spreekt.
De caravan staat nog steeds op de oprit. Henk heeft vanmiddag de gasflessen laten vullen. Ik weet niet of dat hoopvol is of gewoon praktisch.