Na 31 zomers in hetzelfde huisje in de Ardèche wil mijn man niet meer met onze beste vrienden op vakantie

De sleutel van het huisje in de Ardèche hangt nog steeds aan een blauw koordje in de keukenla. Een lelijk ding eigenlijk, met een kurken sleutelhanger waarop ooit “Les Mimosas” stond. De letters zijn bijna helemaal weg. Vorige week pakte ik hem vast omdat ik de bestekla wilde schoonmaken, en ik stond er ineens mee in mijn hand alsof ik niet wist waar hij vandaan kwam.

Een maand geleden zouden we daar weer naartoe gaan. Zoals we al eenendertig zomers doen met Koos en Marianne.

Wij zijn allemaal 64 of 65 nu. Henk en ik wonen in Amersfoort, in een rijtjeshuis dat sinds de kinderen uit huis zijn eigenlijk te groot is. Koos en Marianne wonen in Zwolle. Vroeger zagen we elkaar via een collega van Henk en Koos bij de gemeente, en het klikte meteen. Niet op die overdreven manier dat je na twee avonden al “beste vrienden” zegt. Maar het werd vanzelf zo. Etentjes, oud en nieuw, kampeerweekenden toen de kinderen klein waren, oppassen als iemand in het ziekenhuis lag. Toen mijn moeder overleed, stond Marianne de volgende ochtend met een pan soep voor de deur. Geen appje, geen groot verhaal. Gewoon soep.

Het huisje in Frankrijk kwam erbij toen we nog allemaal werkten en geld moesten omdraaien. Twee slaapkamers, een slaapbank waar altijd iemand een slechte rug van kreeg, een zwembadje waar vooral wespen in dreven. We gingen buiten het hoogseizoen, eerst met de kinderen, later zonder. Koos reed bijna altijd. Henk deed de route en klaagde bij Lyon over het verkeer. Marianne nam veel te veel boodschappen mee vanuit Nederland, terwijl er in het dorp een prima Super U was. Ik kookte meestal de eerste avond pasta omdat iedereen kapot was.

Het waren geen luxe vakanties, maar ik dacht echt dat we dit zouden blijven doen tot we te oud waren om die stenen trap bij het huisje op te komen.

Twee jaar geleden begon Koos dingen te vergeten. In het begin waren het van die dingen waar je nog een grapje over maakt. Hij vertelde hetzelfde verhaal twee keer. Hij zocht zijn leesbril terwijl die op zijn hoofd stond. Hij wist niet meer zeker of hij de tol betaald had, hoewel Marianne naast hem zat en het net nog had gezien.

Afgelopen zomer was anders.

Koos werd kwaad omdat Henk de koffiemachine had verplaatst. Die stond letterlijk twintig centimeter verderop, omdat ik het aanrecht wilde afnemen. Koos zei dat Henk altijd alles naar zijn hand zette. Hij gebruikte woorden die ik niet bij hem kende. “Bemoeial” en “controlefreak”. Henk zei eerst niets. Hij keek alleen naar zijn mok.

Later die week raakte Koos in paniek in de supermarkt. Hij was ervan overtuigd dat Marianne hem expres alleen had gelaten. Ze stond twee gangpaden verder bij de wijn. Hij liep met een mandje door de winkel te roepen dat niemand hem iets vertelde. Mensen keken om. Marianne werd rood en zei heel hard: “Koos, doe normaal.” Dat maakte het erger.

Op de terugweg zat hij achterin naast mij en vroeg drie keer of we wel naar het juiste huisje reden. De derde keer zei ik misschien wat te kortaf dat we hier al dertig jaar kwamen. Hij keek me aan alsof ik hem had geslagen. Daarna schaamde ik me verschrikkelijk.

Maar Henk had die week nauwelijks geslapen. Koos liep ’s nachts door het huisje, deed lampen aan en trok kastjes open. Een keer had hij de voordeur open laten staan. Er was niets gebeurd, maar Henk lag daarna uren wakker. Overdag lette hij voortdurend op: waar is Koos, heeft hij zijn portemonnee, loopt hij niet naar de weg, drinkt hij niet alweer wijn terwijl hij zijn medicijnen nog moest nemen? Niemand had hem daarom gevraagd, maar als je ziet dat het mis kan gaan, kijk je toch.

Marianne wilde nergens over praten. Als ik voorzichtig zei dat Koos misschien eens met de huisarts kon overleggen, zei ze dat hij al onder controle was. Dat bleek later ook wel zo te zijn, maar ze vertelde niets. Ze zei alleen: “Jullie kennen hem toch. Hij heeft gewoon wat meer tijd nodig.”

Alsof tijd het probleem was.

Na die vakantie hebben Henk en ik er thuis over gesproken, maar nooit echt goed. Ik verdedigde Marianne. Niet omdat ik alles prima vond, maar omdat ik zag hoe moe ze was. Ze belde me soms en dan hoorde ik aan haar ademhaling dat ze in de auto zat, ergens op een parkeerplaats, omdat Koos binnen bij de kapper of de apotheek was. Dan zei ze dat het wel ging. Altijd: het gaat wel.

In januari belde ze huilend. Koos was twee keer met de fiets vertrokken en wist niet meer hoe hij thuis moest komen. De diagnose was inmiddels uitgesproken: beginnende Alzheimer. Marianne zei dat ze geen casemanager wilde, nog niet. Geen dagbesteding, geen mensen over de vloer. “Dan is hij meteen een patiënt,” zei ze. “Dan is alles voorbij.”

Ik snapte dat. Of tenminste, ik dacht dat ik het snapte.

Henk niet meer.

Toen het tijd werd om het huisje voor deze zomer te bevestigen, zei hij aan de keukentafel: “Ik ga niet nog een keer.” Hij zei het rustig. Hij had net aardappels geschild en zijn handen waren nog een beetje ruw van het zetmeel.

Ik dacht eerst dat hij bedoelde dat we allemaal een jaar oversloegen.

Maar hij zei: “Wij kunnen wel gaan. Of jij gaat met Marianne, als je dat per se wilt. Maar niet met Koos erbij. Ik wil vakantie, Els. Ik wil niet zeven dagen op scherp staan.”

Ik werd meteen boos. Niet netjes boos. Ik zei dat je een vriend niet dumpt omdat hij ziek wordt. Henk zei dat Koos niet gedumpt werd, maar dat wij niet zijn zorgplan konden zijn. Toen zei ik iets gemeens, dat Henk al zijn hele leven wegloopt zodra iets ingewikkeld wordt. Dat was niet eerlijk. Hij heeft jarenlang voor zijn vader gezorgd na diens beroerte. Hij regelt nog steeds de administratie van zijn zus, die daar zelf een rommeltje van maakt.

Hij zei alleen: “Precies daarom weet ik wat het kost.”

Daar was ik stil van.

Ik heb Marianne uiteindelijk gebeld. Ik had het gesprek in mijn hoofd zachter gemaakt dan het was. Ik zei dat Henk de reis dit jaar niet zag zitten, dat hij zich zorgen maakte om Koos en dat we misschien iets anders konden bedenken. Een lang weekend dichter bij huis. Of een keer bij hen eten. Ik hoorde Koos op de achtergrond vragen met wie ze belde.

Marianne werd eerst heel stil. Toen zei ze: “Dus hij mag niet meer mee.”

“Dat zeg ik niet.”

“Nou, zo komt het wel binnen, Els.”

Ze zei dat Koos dertig jaar voor Henk klaar had gestaan. Dat hij Henk geholpen had toen hij zonder werk kwam te zitten, dat hij bij onze verbouwing elk weekend had geklust, dat hij nooit had geklaagd. Dat was allemaal waar. Daarna zei ze iets wat ik haar niet kwalijk kan nemen, maar wat nog steeds in mijn hoofd zit: “Nu hij lastig wordt, is jullie vriendschap blijkbaar op.”

Ik heb geantwoord dat het niet op was. Ik weet niet eens of ik dat op dat moment zelf geloofde.

Sindsdien appen we praktisch. Marianne stuurt soms een foto van Koos in de tuin, of van de medicijnen op tafel met de mededeling dat het een rommelige dag is. Ik vraag hoe het gaat. Zij antwoordt: “We redden ons.” Henk vraagt ook naar Koos, echt wel, maar hij belt niet. Hij zegt dat hij niet weet wat hij moet zeggen zonder weer een discussie te krijgen.

Het huisje hebben we niet geboekt. Henk heeft een weekje Texel voorgesteld, alleen met z’n tweeën. Ik heb ja gezegd, maar ik voel me er beroerd over. Alsof ik stiekem iets leuks ga doen terwijl Marianne thuis probeert te voorkomen dat Koos verdwaalt.

Tegelijkertijd merk ik dat ik opgelucht ben als ik eraan denk dat ik deze zomer niet hoef te luisteren of er ’s nachts een deur opengaat. En juist die opluchting vind ik misschien wel het lelijkste aan mezelf.

De sleutel ligt nog in de la. Ik heb hem niet weggegooid. Maar ik heb hem ook niet teruggehangen.