Sinds Pieter naar Roemenië gaat, lijkt Henk ieder weekend bij ons te wonen

Het begon eigenlijk met een appje over een lekkende kraan.

Henk stuurde Kees op een dinsdagmorgen een foto van een plasje water onder zijn gootsteenkastje. Pieter was toen net drie weken weg, naar Roemenië, voor een project van een Nederlandse stichting. Zij helpt daar in een opvanghuis voor vrouwen. Al jaren riep ze dat ze dat na haar pensioen wilde doen. Toen ze 65 werd, heeft ze het gewoon geregeld.

Kees ging diezelfde middag even kijken. Natuurlijk. Henk en Pieter zijn al bevriend met ons sinds 1984, vanaf het moment dat we in dezelfde straat in Amersfoort woonden. Onze kinderen zijn ongeveer tegelijk geboren, we hebben samen gekampeerd in Frankrijk, alle kerstdiners afgewisseld en zelfs een keer met z’n vieren een nogal rampzalige cruise gemaakt. Henk was getuige op onze bruiloft. Zo’n vriendschap zet je niet naast je neer omdat iemand een kraan niet dicht krijgt.

Alleen bleef het niet bij die kraan.

De week erna moest Henk naar de huisarts en vond hij het vervelend om alleen te gaan. Daarna kwam er een lampje branden in zijn auto. Toen bleek zijn cv-ketel een storing te geven. Kees hielp, of belde iemand, of ging mee. Ik maakte ondertussen een pannetje extra macaroni omdat Henk na zo’n middag vaak bleef eten. Hij zat dan aan onze eettafel met zijn handen om een glas bier heen en zei dat het huis zo stil was.

Daar kreeg ik echt geen hard hart van. Ik vond het vooral zielig.

Pieter was altijd degene die de boel vulde. Niet eens omdat ze zo luid is, maar ze regelt, praat, zet koffie voordat je erom vraagt. Henk is een rustige man. Vroeger vond ik dat prettig aan hem. Maar zonder Pieter leek hij soms niet goed te weten wat hij met een hele dag aan moest.

In het begin kwam Pieter zes weken weg en vier weken thuis. Daarna werden de periodes langer. Ze had daar haar draai gevonden, zei ze. Ze stuurde foto’s van een moestuin, van een groep vrouwen die Nederlands oefenden, van een hond met één oor die blijkbaar in het opvanghuis was komen aanlopen. Ze zag er op die foto’s jonger uit dan in jaren.

Toen ik haar eens vroeg of Henk het wel trok, zei ze: “Hij redt zich wel. Jullie zijn er gelukkig ook een beetje.”

Ze zei het lachend, alsof dat een geruststellende gedachte moest zijn.

Kees en ik hadden zelf ook plannen. Niet groots hoor. Een paar dagen met de trein naar Maastricht, vaker fietsen als het mooi weer was, op donderdagmiddag bridgen in het buurthuis. Kees wilde eindelijk zijn oude racefiets laten opknappen. Ik had me ingeschreven voor een cursus keramiek, iets wat ik altijd had uitgesteld omdat er werk was, kinderen, mijn moeder die ziek werd, nou ja, het bekende.

Van dat bridgen kwam weinig terecht, omdat Henk op donderdag vaak belde. Niet altijd met een concrete vraag. Soms zei hij gewoon: “Zijn jullie vanavond thuis?”

En als ik dan zei dat we weg moesten, hoorde ik een klein stil moment aan de andere kant. Daarna zei hij meestal: “Nee joh, prima. Ik dacht, misschien een hapje eten.”

Kees keek me dan aan alsof ik iets wreeds had gedaan, terwijl hij zelf niks zei.

“Hij vraagt het gewoon,” zei ik een keer.

“Ja, maar hij zit daar alleen.”

“Wij zitten ook wel eens alleen. Dat is toch niet hetzelfde als hulp nodig hebben?”

Kees werd daar boos om. Niet schreeuwen, zo zijn wij niet, maar hij trok zijn mond scheef en ging de vaatwasser inruimen alsof elk bord hem persoonlijk beledigd had.

“Je kent Henk langer dan vandaag,” zei hij. “Hij vraagt niet snel iets.”

Dat klopte ook. Daarom werkte het waarschijnlijk zo op mijn geweten.

Het kantelpunt kwam in november. Pieter was van plan om tot eind februari in Roemenië te blijven. Henk had die zaterdag een familiedag van zijn dochter, ergens bij Zwolle. Hij wilde niet rijden in het donker en vroeg of Kees mee wilde. Zijn dochter had gezegd dat ik natuurlijk ook welkom was.

Wij zouden dat weekend naar Texel gaan. Twee nachten, huisje via vrienden, al maanden geleden afgesproken. Niet spectaculair, maar ik had er zin in gehad op een manier die ik bijna kinderachtig vond. Even niemand die ergens op wachtte. Alleen wind, broodjes halen en Kees zonder telefoon aan tafel.

Kees zei meteen tegen Henk dat hij wel mee kon.

Niet dat hij ons Texelweekend wilde afzeggen. Hij stelde voor dat we zaterdag heel vroeg zouden vertrekken, Henk bij zijn dochter zouden afzetten, en zondagavond terug zouden rijden om hem op te halen. Hij had het al bijna uitgerekend op zijn telefoon.

Ik weet nog dat ik naar de peterselie op het aanrecht keek. Ik was bezig met soep en die lag daar nat op een plankje. Zo’n stom detail, maar ik zag ineens hoe moe ik was van altijd schuiven.

Ik zei: “Nee. Dit gaan we niet doen.”

Kees dacht eerst dat ik bedoelde dat Henk met de trein kon. Maar ik zei dat ik niet meer elk weekend onze plannen wilde aanpassen. Dat Henk best een keer alleen naar zijn dochter kon, of een taxi kon nemen, of daar kon blijven slapen. Dat wij geen opvangadres waren voor de maanden waarin Pieter haar eigen leven leidde.

Kees keek me aan alsof ik Henk had uitgescholden.

“Dus we laten hem gewoon zitten?”

“Dat zeg ik niet. Ik zeg dat jij niet alles hoeft op te lossen.”

Henk hoorde een deel van dat gesprek, want Kees had hem op de speaker staan. Dat was ik vergeten. Of Kees ook, dat weet ik nog steeds niet.

Er kwam geen ruzie. Dat was bijna erger. Henk zei alleen: “Laat maar, ik regel wel wat.” Hij klonk ineens heel zakelijk.

Hij is uiteindelijk niet naar die familiedag gegaan. Zijn dochter kwam zondagmiddag bij hem koffie drinken, vertelde hij later. Kees heeft daar nog dagen last van gehad. Hij zei steeds dat het voor Henk niet om vervoer ging, maar om niet als een aanhangsel behandeld te worden bij zijn eigen familie.

Misschien had hij daar gelijk in.

Maar ik had ook gelijk dat ik niet meer blij was als de zaterdag eraan kwam. Ik merkte dat ik de telefoon zachter zette. Dat ik hoopte dat Henk niet zou aanbellen als ik in mijn badjas liep. Daar schrok ik van mezelf van.

Nu is Pieter weer twee weken thuis. Ze is één keer bij ons geweest en praatte vooral over een nieuw project dat misschien in het voorjaar begint. Henk zat naast haar op de bank en zei bijna niets. Kees deed overdreven vrolijk. Ik ook, waarschijnlijk.

Toen ze weg waren, vroeg Kees of ik zaterdag toch even met hem naar Henk wilde, gewoon om koffie te drinken.

Ik zei dat dat best kon, maar niet omdat we dienst hadden.

Kees knikte. Daarna pakte hij zijn racefiets uit de schuur. Die staat daar al maanden met een platte band. Hij zei dat hij hem maandag naar de fietsenmaker zou brengen.

Ik heb niks teruggezegd. Ik dacht alleen aan mijn keramiekcursus, die volgende week begint. Deze keer heb ik hem nog niet afgezegd.