Sinds Theo er niet meer is, lijkt mijn eigen pensioen ineens niet meer van mij te zijn

De dinsdag waarop Els voor het eerst met een mapje huizenadvertenties aan onze keukentafel zat, had ik net mijn fietspomp uit de schuur gehaald. Het was droog, eindelijk. Ik wilde naar de Ooijpolder, rustig aan, koffie ergens onderweg. Geen groot plan, gewoon een ochtend waarin niemand iets van me nodig had.

Marjan stond boven te douchen toen de bel ging. Els had een bakje aardbeien bij zich, veel te vroeg in het seizoen en dus waarschijnlijk behoorlijk duur. Ze zette ze op tafel, trok haar jas niet uit en zei vrijwel meteen: „Ik heb iets gezien in de straat achter jullie. Een appartementje. Niet groot, maar voor mij alleen hoeft dat ook niet.”

Ze keek er zo hoopvol bij dat ik al voelde hoe mijn maag samenkneep.

Theo en ik kenden elkaar sinds 1987. We werkten toen allebei bij de gemeente, hij bij groenvoorziening en ik op de technische dienst. Niet eens in hetzelfde gebouw, maar we raakten aan de praat in de kantine over voetbal en verbouwingen. Marjan en Els konden het ook goed vinden. Zo ging dat vroeger misschien makkelijker: je ging bij elkaar eten, de kinderen werden ongeveer tegelijk geboren, je hielp met een schutting en voor je het wist waren er dertig jaar voorbij.

We zijn samen naar Frankrijk geweest, naar een stacaravan op de Veluwe, later een paar keer met de camper van Theo door Duitsland. Theo kon nergens normaal parkeren. Altijd nog een meter naar voren, weer terug, raam omlaag, Marjan die dan expres de andere kant op keek. Op verjaardagen was hij degene die de barbecue te vroeg aanstak en vervolgens iedereen vertelde dat het vlees „even moest rusten”.

Het waren geen kennissen. Els en Theo waren familie die je zelf gekozen had, zo voelde het.

Toen Theo anderhalf jaar geleden alvleesklierkanker bleek te hebben, waren we er veel. Dat was geen discussie. Ik reed Els naar het ziekenhuis als Theo een slechte dag had. Marjan kookte porties soep en stamppot die zij alleen hoefde op te warmen. We zaten bij Theo toen hij nog grapjes maakte over de thuiszorg en toen hij daar allang geen zin meer in had. Na zijn overlijden, afgelopen november, hielpen we met de kaartjes, de koffie na de crematie, de administratie waarvan Els niet wist waar ze moest beginnen.

Ik zou het allemaal weer doen.

Alleen: het hield niet op na de eerste weken. En misschien is dat een rare gedachte, want rouw houdt natuurlijk ook niet op na de eerste weken.

Els belt tegenwoordig bijna iedere ochtend. Soms heeft ze een vraag over de energierekening of een brief van de bank. Dat snap ik. Maar soms zegt ze alleen: „Ik wilde even een stem horen.” Dan hoor ik haar ademhaling en de radio op de achtergrond. Als ik opneem, ben ik makkelijk twintig minuten kwijt. Als ik niet opneem, belt ze Marjan. Als Marjan ook niet opneemt, stuurt ze iets in onze gezamenlijke app: Zijn jullie druk? Alles goed?

Ze komt ook vaak langs. Niet altijd aangekondigd. Dan staat ze met haar sleutelbos in haar hand op de stoep, alsof ze op doorreis is, maar ze blijft meestal tot het eten. Marjan zegt dan: „Natuurlijk, blijf gezellig.” En ik hoor mezelf vragen of ze mee-eet, terwijl ik eigenlijk net een blik soep wilde opentrekken en daarna in de garage wilde rommelen.

Dat klinkt kleinzielig als ik het opschrijf. Dat weet ik. Els zit alleen in dat rijtjeshuis waar Theo overal nog in hangt: zijn jas aan de kapstok, zijn gereedschap in de schuur, zijn kant van het bed die ze volgens Marjan nog steeds niet gebruikt. Ik heb best medelijden met haar. Soms zie ik haar handen trillen als ze haar koffie vasthoudt. Ze is pas 62. We zijn allemaal pas 62 of 63. Het is toch geen leeftijd waarop je ineens in je eentje verder denkt te moeten.

Maar ik ben ook net drie maanden met pensioen. Ik heb veertig jaar gewerkt. Vroege diensten, storingen in de regen, vergaderingen waar niemand iets besloot. Marjan werkte in de ouderenzorg en heeft het ook zwaar genoeg gehad. We hadden steeds gezegd: straks gaan we niet meer leven tussen afspraken door. Dan gaan we op maandag weg als we daar zin in hebben. Dan hoef je niet voor zes uur thuis te zijn. Dan mag een dag leeg zijn.

Die lege dagen zijn nu zeldzaam.

Een paar weken geleden had ik me opgegeven voor een cursus houtdraaien in het buurthuis. Ik had er bijna gênant veel zin in. Gewoon iets leren waar niemand beter van hoefde te worden. Op de tweede avond belde Els tijdens de pauze. Haar cv gaf een foutcode. Ik zei dat ik pas over een uur thuis was en dat ze de storingsdienst moest bellen als het koud werd.

Toen ik thuiskwam, zat ze bij ons op de bank. Marjan had haar zelf opgehaald. De cv deed het uiteindelijk gewoon weer, waarschijnlijk nadat Els op een verkeerde knop had gedrukt. Ze was overstuur en Marjan vond het hard dat ik niet meteen was gekomen.

„Ze heeft niemand anders, Rob,” zei ze later in bed.

Ik zei: „Dat is toch juist het probleem? Wij kunnen toch niet haar hele leven worden?”

Marjan draaide zich van me af. „Zo bedoel je het niet, maar het klinkt wel heel hard.”

Misschien klonk het hard omdat er iets hards in zat. Daar schaamde ik me voor. Tegelijkertijd werd ik wakker met een druk op mijn borst die ik vroeger alleen had als ik wist dat er op werk weer een spoedklus lag.

Dat mapje op tafel maakte alles ineens concreet. Els vertelde dat het appartement achter ons ideaal was. Lift, twee slaapkamers, balkon op het zuiden. „En dan kunnen we gewoon samen koffie drinken wanneer het uitkomt. Ik hoef niet steeds te vragen of ik welkom ben.”

Marjan knikte meteen. Niet overdreven, maar wel warm. Ze begon zelfs te praten over hoe fijn het voor Els zou zijn dat de supermarkt en de huisarts dichtbij waren.

Ik vroeg wat haar eigen huis zou opleveren. Els zei dat ze daar nog niet naar had laten kijken. Daarna kwam het tweede voorstel, voorzichtig gebracht alsof het haar zelf ook wat te veel voorkwam.

„Misschien kan ik, tot ik iets heb, ook een tijdje bij jullie in de logeerkamer. Alleen als het echt kan hoor. Ik ben thuis soms zo bang dat ik gek word.”

Marjan keek naar mij. Ik keek naar het mapje, naar de aardbeien, naar mijn fietspomp bij de achterdeur.

Ik zei niet meteen nee. Dat is misschien mijn fout geweest. Ik mompelde iets over dat we erover moesten nadenken. Els knikte, maar haar gezicht zakte in. Alsof ik haar al op straat had gezet.

Nadat ze weg was, kregen Marjan en ik ruzie. Geen geschreeuw, dat doen we eigenlijk nooit. Juist erger: dat lage, ingehouden praten waarbij ieder woord blijft liggen.

Marjan zei dat Els ons nodig had en dat Theo zich voor ons ook altijd had uitgesloofd. Ze haalde voorbeelden aan die ik zelf vergeten was: toen mijn moeder in het ziekenhuis lag en Theo zonder vragen mijn schuur had opgeruimd na die lekkage. Toen onze zoon Daan tijdelijk zonder werk zat en Theo hem aan een gesprek bij zijn oude werkgever hielp.

Daar had ze gelijk in.

Ik zei dat dankbaarheid niet betekent dat je je huis en je huwelijk open moet zetten tot er niets meer van jezelf overblijft. Ik zei ook dat Els hulp nodig heeft van meer mensen dan alleen wij. Een rouwgroep misschien, haar zus in Deventer, die wandelclub waar ze vroeger lid van was.

„Haar zus komt één keer in de maand,” zei Marjan. „En bij die wandelclub voelt ze zich nu een buitenstaander.”

„Dan moet ze daar misschien weer naartoe om geen buitenstaander meer te zijn,” zei ik.

Dat was gemeen geformuleerd. Ik zag Marjan er letterlijk kleiner van worden. Zij hoort in Els niet alleen een vriendin die veel belt. Zij hoort een vrouw die haar man mist, en waarschijnlijk ook zichzelf een beetje, omdat wij allemaal ouder worden en de dingen minder vanzelfsprekend zijn.

Het appartement staat nog te koop. Els heeft een bezichtiging gepland voor vrijdagmiddag. Marjan gaat mee, dat heeft ze al toegezegd. Ik niet. Ik heb gezegd dat ik die middag naar mijn houtdraaien ga, hoewel ik pas volgende week weer les heb. Ik wil waarschijnlijk gewoon niet in dat appartement staan en doen alsof mijn mening pas telt wanneer er een koopcontract ligt.

Vanmorgen belde Els om half negen. Ik zag haar naam op mijn scherm en liet hem overgaan. Daarna voelde ik me een lafaard. Vijf minuten later stuurde ik: Ik bel je vanmiddag even terug.

Mijn fiets staat nog steeds in de schuur. De banden zijn inmiddels hard genoeg.