Ik dacht dat veertig jaar vriendschap betekende dat we alles samen aankonden, maar nu durf ik mijn telefoon soms niet meer op te nemen
De laatste tijd leg ik mijn telefoon soms met het scherm naar beneden op tafel. Niet op stil, dat krijg ik niet over mijn hart. Maar wel zo dat ik hem niet steeds zie oplichten.
Els merkt het natuurlijk. Ze zegt er meestal niets van. Dan schenkt ze koffie in, of ze veegt nog een keer een kruimel van het aanrecht terwijl het aanrecht al schoon is. We zijn 67 en 65, net een paar jaar met pensioen. We hadden altijd gedacht dat dit de rustige periode zou worden. Een beetje fietsen als het weer meezit, oppassen op de kleinkinderen van onze dochter, in november misschien nog eens naar Portugal. Niks spectaculairs.
Henk en Marianne hoorden in dat plaatje vanzelfsprekend thuis. Dat waren ze al sinds 1981.
We leerden elkaar kennen op een camping in Drenthe, toen onze kinderen nog klein waren en iedereen in van die veel te krappe bungalowtenten zat. Daarna kwamen de verjaardagen, de vrijdagavonden, de gezamenlijke vakanties naar Frankrijk en later, toen we iets meer te besteden hadden, een weekje all-inclusive op Kreta. We wisten van elkaar wie altijd te laat kwam, wie te veel wijn inschonk en wie bij een restaurant eerst alle recensies moest lezen. Els en Marianne waren samen zwanger geweest, min of meer. Onze jongens zaten zelfs een tijd bij elkaar in de voetbal.
Ik zeg niet dat we elke dag bij elkaar over de vloer kwamen, maar Henk en Marianne waren wel familie die je zelf kiest. Zo voelde het.
Drie jaar geleden kreeg Henk de diagnose Parkinson. In het begin viel het nog mee, tenminste, dat dachten we. Hij liep wat stijver en zijn rechterhand trilde als hij zijn koffie vasthield. Hij maakte er zelf grappen over. “Gratis melkopschuimer,” zei hij dan, en Marianne lachte net iets te hard.
Daarna ging het sneller dan verwacht. Niet alleen zijn bewegen werd lastiger. Hij raakte ook sneller in de war, vooral als er veel tegelijk gebeurde. Een afspraak in het ziekenhuis werd een hele onderneming. Autorijden mocht hij niet meer. Marianne heeft zelf geen rijbewijs en ze raakte steeds gespannener van alles wat geregeld moest worden.
Dus reden wij.
Eerst af en toe. Toen elke paar weken. Toen ook naar de huisarts, de apotheek, de fysio. Els ging op maandagmiddag met Marianne boodschappen doen, omdat Henk niet alleen thuis wilde blijven. Ik hielp een keer met een loshangende keukenkast en kreeg daarna vanzelf een lijstje toegestuurd met dingen die “als je toch een keer tijd hebt” gedaan konden worden.
We deden het zonder veel nadenken. Zo ben je opgevoed, denk ik. Als iemand die je lief is ziek wordt, ga je niet zitten rekenen hoeveel uur het kost.
Alleen: op een gegeven moment ben je wel aan het rekenen.
Niet hardop. Maar ik wist precies welke dagen we vrij hadden gehouden en welke dagen toch weer naar Henk en Marianne gingen. Ik wist hoe vaak onze eigen plannen werden afgezegd. Een etentje met mijn broer in Amersfoort, omdat Henk die middag gevallen was en Marianne in paniek belde. Een weekend weg dat Els had geboekt voor mijn verjaardag, dat we verplaatsten omdat Henk een scan kreeg op de vrijdag ervoor en Marianne zei dat ze onmogelijk alleen kon wachten.
Die scan was uiteindelijk pas twee uur later dan gepland. We zaten met z’n drieën in een wachtkamer met automatenkoffie. Henk sliep half, Marianne keek voortdurend naar de deuren en Els hield haar hand vast. Ik dacht alleen maar: dit is dus mijn verjaardag.
Daar schaam ik me nog steeds voor.
Els wilde nooit praten over grenzen. Als ik erover begon, zei ze: “Stel je voor dat jij daar zat en Henk niet wist wat hij moest doen.” Dat was haar sterkste argument, omdat het waar was. Of in elk geval: omdat ik niet kon bewijzen dat ik anders zou zijn.
Maar ik zag ook dat zij opraakte. Ze sliep slecht. Ze nam Marianne mee in haar hoofd naar bed. Als Marianne een kort appje stuurde, zoals ‘Het gaat even niet’, kon Els de hele avond nergens anders meer over praten. Toch was zij degene die zei dat we geen professionele hulp naar voren moesten schuiven alsof we van hen af wilden.
Ik zei niet dat we van hen af wilden. Ik zei dat een wijkverpleegkundige of huishoudelijke hulp misschien beter was dan dat wij tussen onze afspraken door met een stofzuiger door hun huis gingen.
“Alsof je even iemand bestelt,” zei Els.
“Er is een Wmo-loket. Er is thuiszorg. De Parkinsonverpleegkundige kan toch ook meedenken?”
“Dat duurt allemaal eeuwen.”
Daar had ze ook weer gelijk in. En in de tussentijd belden ze ons.
Het kantelpunt was niet eens iets heel groots. Marianne belde op een woensdagavond om kwart over negen. We zaten net naar een slechte Britse detectiveserie te kijken, allebei met een dekentje over onze benen. Henk had volgens haar die middag zijn medicijnen verkeerd ingenomen en was nu misselijk en onrustig. Ze vroeg of Els kon komen, want bij haar luisterde Henk beter.
Els was al bezig haar schoenen aan te trekken toen ik zei: “Misschien moet je de huisartsenpost bellen.”
Marianne hoorde dat blijkbaar, want ze zei ineens: “Ja, als jullie liever televisie kijken, dan snap ik dat ook wel.”
Niet schreeuwen. Juist heel vlak. Dat was erger.
Els keek me aan alsof ik iets wreeds had gedaan. Ik nam de telefoon van haar over en zei dat het niet zo was, dat we ons zorgen maakten en dat zij de huisartsenpost moest bellen omdat dit medisch kon zijn. Uiteindelijk deed ze dat. Het bleek geen spoed. Henk moest drinken, rusten en de volgende dag zijn eigen huisarts bellen.
Maar vanaf dat moment was er iets kapot.
Marianne reageerde kort op Els haar berichten. Henk nam de telefoon niet op als ik belde. Twee weken later zouden we met onze oude vriendengroep eten bij De Griek in het dorp. Henk en Marianne waren er ook. Normaal zaten we door elkaar, met te veel ouzo aan het eind. Nu zaten zij aan de andere kant van de tafel.
Op een gegeven moment zei Marianne, terwijl iedereen stilviel: “Het is bijzonder hoe snel mensen het druk krijgen als je ziek wordt.”
Niemand reageerde. Iemand vroeg of er nog tzatziki moest komen. Ik geloof dat ik rood werd, maar ik weet het niet zeker. Els zei de rest van de avond bijna niets.
Thuis kregen we ruzie. Geen nette, volwassen discussie. Ik zei dat ik dit niet meer trok. Els zei dat ik blijkbaar alleen loyaal was zolang het gezellig bleef. Ik zei dat zij zich door schuldgevoel liet besturen. Dat was gemeen, want ze huilt nog steeds soms om Henk. Ik trouwens ook, alleen niet op dezelfde manier.
De volgende ochtend heb ik de Parkinsonverpleegkundige gebeld, met toestemming van Henk die ik via Marianne kreeg. Ik heb uitgelegd dat ze weinig netwerk meer hadden naast ons en dat Marianne overbelast klonk. De verpleegkundige was vriendelijk, maar kon natuurlijk niet zomaar alles overnemen. Ze zou met hen bespreken welke ondersteuning mogelijk was, mantelzorgondersteuning ook.
Marianne vond het later een goed idee, zei ze. Alleen klonk ze alsof ik haar naar een loket had doorgestuurd.
Sindsdien helpen we nog steeds. Ik rijd Henk meestal op dinsdag naar de fysio. Els gaat op vrijdagmiddag langs als het haar lukt. Maar we nemen niet meer iedere oproep over. Soms bellen we terug. Soms zeggen we dat we die dag niet kunnen. Ik vind dat nog steeds moeilijker dan het zou moeten zijn.
Vorige week appte Marianne een foto van Henk in de tuin. Hij zat met een muts op in de zon, veel te dik aangekleed voor april. Er stond alleen bij: ‘Vandaag wel een redelijke dag.’
Els keek lang naar die foto en stuurde een hartje terug. Daarna zette ze haar telefoon op tafel en zei ze dat we nu echt naar de markt moesten, anders waren de asperges op.
We zijn gegaan. Onderweg zei geen van ons iets over Henk en Marianne. Dat voelde eerst verkeerd.
En daarna, heel even, gewoon stil.