Mijn man kan de reis van onze vrienden naar Azië niet aan, maar ik weet niet of ik thuis moet blijven of zonder hem moet gaan

Ik heb de reisgidsen nog steeds in de la van het dressoir liggen. Vietnam, Thailand en Japan. Pieter had ze twee jaar geleden gekocht, toen hij nog iedere ochtend om kwart over zeven op zijn fiets naar kantoor ging en ’s avonds met een strak gezicht thuiskwam. Hij zei toen: „Nog even volhouden, Marjan. Als ik met pensioen ben, gaan we eindelijk.”

Met ‘we’ bedoelde hij ons vier. Pieter en ik, en onze beste vrienden Henk en Els. We kennen elkaar al sinds onze kinderen op de basisschool zaten. Vroeger gingen we kamperen in Frankrijk, later huurden we huisjes in Limburg of op Texel. Kerst vierden we om en om bij elkaar. Henk en Pieter hebben samen jarenlang gevoetbald, al stonden ze de laatste jaren vooral langs de lijn met koffie in kartonnen bekers.

Die Aziëreis was altijd iets voor later. Als er meer tijd en geld zou zijn. Als de kinderen hun eigen leven hadden. Als we niet meer hoefden te plannen rond werk, mantelzorg en verjaardagen.

Alleen kwam Pieters pensioen anders binnen dan we hadden verwacht.

Hij stopte afgelopen november, na een jaar waarin hij eigenlijk al op was. Hij noemt het zelf geen burn-out, want dat woord vindt hij overdreven klinken. „Ik was gewoon leeg,” zegt hij dan. Maar hij sliep slecht, vergat simpele dingen en kon soms ineens woedend worden als de vaatwasser piepte of ik vroeg wat we die avond zouden eten. De bedrijfsarts had al eerder gezegd dat hij rust moest nemen. Pieter ging toch door, omdat er nog projecten lagen en omdat hij bang was zijn collega’s in de steek te laten.

Nu is hij thuis. Hij wandelt ’s ochtends een rondje door het park, doet soms boodschappen en zit geregeld in zijn stoel naar wielrennen te kijken zonder echt te kijken. Het gaat wel iets beter, denk ik. Maar als er te veel op één dag gebeurt, is hij de volgende dag helemaal dicht. Dan antwoordt hij met één woord of gaat hij boven liggen.

Henk en Els zijn allebei al drie jaar met pensioen en lijken juist pas net begonnen. Maandag yoga, dinsdag oppassen op de kleinkinderen, woensdag met de camper weg, donderdag eten met mensen van de tennis. Els stuurt foto’s in onze appgroep van wandelingen waarvan ik niet eens wist dat ze bestonden. Ik gun het ze echt. Maar soms krijg ik al een beetje stress als ik zie hoeveel ze doen.

In januari kwamen ze bij ons eten om de reis vast te leggen. Henk had een tablet mee, Els een schrift vol uitgeprinte hotels. Ze wilden vier weken. Bangkok, Chiang Mai, Hanoi, een cruise door Ha Long Bay, daarna door naar Japan. Niet goedkoop, maar we hadden er allemaal voor gespaard. We zouden misschien nooit meer zo’n reis maken.

Pieter zei de eerste twintig minuten niets. Hij zat met zijn handen om zijn glas heen en knikte af en toe. Ik voelde het al aankomen, maar ik hoopte dat hij zichzelf over de drempel zou trekken. Toen Els vroeg of hij liever nachttreinen wilde vermijden, zei hij: „Ik weet niet of ik dit nu kan.”

Het werd stil op een nare manier. Niet boos meteen. Meer alsof iemand per ongeluk een schaal op de grond had laten vallen.

„Maar we hoeven pas in oktober,” zei ik. Ik hoorde zelf hoe gretig het klonk.

Pieter keek me aan. „Oktober is niet ineens een ander leven, Marjan.”

Henk zei dat vier weken lang leken, maar dat je natuurlijk ook rustdagen kon inbouwen. Els zei dat een andere omgeving hem misschien juist goed zou doen. Daar kan best iets in zitten, dacht ik nog. Thuis zit hij ook maar te malen.

Pieter schudde zijn hoofd. „Ik krijg het al benauwd van die planning.”

Daarna ging het gesprek over iets anders, al was niemand echt meer bij dat andere onderwerp. We aten de stoofpot die ik ’s middags had gemaakt. Els zei dat hij heerlijk was. Henk vroeg of Pieter nog naar de voetbal ging. Iedereen deed zijn best, maar het voelde alsof er een grote plastic bak midden op tafel stond waar we omheen moesten praten.

Een paar dagen later belde Els mij apart. Ze klonk voorzichtig, wat bij haar meestal betekent dat ze ergens heel duidelijk over is.

„Je hoeft natuurlijk niks te beslissen nu,” zei ze. „Maar het is toch zonde als jij ook niet gaat doordat Pieter een moeilijke periode heeft?”

Ik zei dat ik daar nog niet over had nagedacht. Dat was niet helemaal waar. Ik had er juist voortdurend over nagedacht, maar ik durfde de gedachte niet hardop te maken.

Els ging verder. „Henk en ik kunnen ook prima met jou. En Pieter vindt het misschien juist fijn om even geen rekening te hoeven houden met anderen.”

Ik kreeg het warm. Niet omdat het een gek voorstel was. Integendeel: een deel van mij voelde meteen opluchting. Ik zag mezelf al in een markt in Hanoi lopen, met Els naast me, zonder steeds te hoeven peilen of Pieter nog wel mee kon, of hij chagrijnig werd, of ik iets verkeerds had gezegd.

Maar ik zag hem ook hier alleen aan de keukentafel zitten. Met zijn boterham met kaas, zijn telefoon naast zijn bord, en mij ergens aan de andere kant van de wereld.

Toen ik het die avond vertelde, deed Pieter eerst alsof het hem niets kon schelen. Hij stond aardappels te schillen en zei: „Als jij dat wilt, moet je gaan.”

Ik vroeg of hij dat echt meende.

„Nee,” zei hij na een tijdje. „Maar ik wil ook niet dat jij mij later de schuld geeft van alles wat je niet gedaan hebt.”

Dat kwam hard aan, vooral omdat ik niet wist of hij gelijk had. Ik heb hem nog nooit de schuld gegeven van mijn leven, denk ik. Maar ik heb wel vaak gewacht. Op zijn vakantiedagen, op zijn energie, op het moment dat hij eens niet met zijn hoofd bij werk was. Misschien was dat wachten zo gewoon geworden dat ik zelf niet meer wist wat ik wilde.

De week erna zagen we Henk en Els bij een verjaardag van gezamenlijke kennissen. Els deed normaal tegen mij, maar ik merkte dat Henk kortaf was tegen Pieter. Hij zei iets over dat je niet achter de geraniums moet gaan zitten zodra je pensioen hebt. Pieter lachte niet.

Later, in de auto, zei hij dat Henk hem saai vond sinds hij niet meer werkte.

„Dat heeft hij niet letterlijk gezegd,” zei ik.

„Nee, hij zegt het slimmer.”

Ik werd boos, misschien ook omdat ik de opmerking zelf óók vervelend had gevonden. Ik zei dat Henk gewoon niet begrijpt hoe het is en dat Pieter ook niet van iedereen kan verwachten dat ze maandenlang om hem heen blijven lopen. Zodra ik het zei, zag ik zijn gezicht veranderen. Hij keek naar buiten en zei de rest van de rit bijna niets.

Ik schaam me daar nog steeds voor. Niet omdat ik vind dat alles ineens om Pieter moet draaien. Dat vind ik niet. Ik mis onze etentjes, onze spontane plannen, het gevoel dat er nog van alles mogelijk is. Soms zit ik op zaterdagavond naast hem op de bank en voel ik me schuldig omdat ik verlang naar drukte.

Maar ik zie ook dat hij niet lui of ongezellig doet. Hij is bang dat hij ergens vastloopt en dat iedereen dan moet wachten of doen alsof het niet erg is. Hij wil niet weer die man zijn die alleen nog maar functioneert omdat het moet.

Gisteren stuurde Els een berichtje: de optie op de reis verloopt volgende week. Ze schreef dat ze het echt jammer zouden vinden als deze droom door „Pieters malaise” niet doorgaat. Dat woord stond er letterlijk. Ik heb het bericht drie keer gelezen en nog niet geantwoord.

Pieter weet dat het er is. Hij vroeg alleen: „Wanneer moeten zij het weten?” Niet wat ik ga kiezen. Niet of ik wil gaan.

Vanmiddag heb ik koffie gedronken met mijn zus. Zij zei dat een partner geen gevangene is en dat vier weken snel voorbij zijn. Misschien heeft ze gelijk. Toch voelt het niet als een vakantie die ik voor mezelf boek. Het voelt alsof ik een plek in onze vriendschap accepteer waar Pieter niet meer in past.

Vanavond eet ik met hem bij de Chinees op het plein, gewoon twee loempia’s vooraf en nasi voor hem. Daarna wil hij misschien nog een stukje rijden, zei hij. Ik weet niet of ik over de reis begin. De deadline loopt volgende week, maar het voelt alsof er al veel langer iets op het punt staat af te lopen.