Na 32 jaar vriendschap durf ik niet meer mee op vakantie met onze beste vrienden

Ik heb afgelopen zondag een mapje in mijn computer geopend met de naam ‘Portugal 2025’. Het stond er al sinds januari. Niet omdat ik zo georganiseerd ben, maar omdat Kees alles meteen doorstuurt: vluchten, appartementen, routes, lijstjes met restaurants waar je volgens hem ‘echt’ gegeten moet hebben.

Er zat nu ook een Excelbestand in. Een dagplanning voor achttien dagen Algarve, met kleuren. Geel was rijden, blauw was strand, groen waren gezamenlijke diners. Bij de opmerkingen stond onder andere: ‘geen gedoe met aparte plannen, daar wordt niemand vrolijk van’.

Ik keek ernaar en voelde mijn maag al samenknijpen. Achttien dagen. Nog niet eens geboekt, maar in mijn hoofd was ik er al geweest. Ik zag mezelf aan een ontbijttafel zitten, met Kees die vraagt waarom ik weer witbrood neem terwijl mijn cholesterol ‘toch al aandachtspuntje’ was. Ellen die tegen Marjan zegt dat wij die nieuwe inductieplaat belachelijk groot hebben gekozen voor twee mensen. En allebei op die toon alsof ze ons juist een dienst bewijzen.

We kennen Kees en Ellen al sinds 1992. Onze kinderen zaten bij elkaar op de basisschool in Amersfoort. Eerst waren het speelafspraken, later barbecueën in de tuin, oud en nieuw, verjaardagen. Toen de kinderen groter werden, gingen we samen wandelen, naar cabaret, een weekendje naar Limburg. Vanaf ons vijftigste gingen we bijna ieder jaar met z’n vieren op vakantie.

Het zijn niet zomaar kennissen. Als ik terugdenk aan moeilijke dingen, zijn zij er vaak bij. Toen mijn vader in het Meander lag, kwam Kees zonder aankondiging langs met koffie voor Marjan en mij. Toen Ellen borstkanker kreeg, hebben wij maandenlang hun hond uitgelaten. Ik ben daar niet ongevoelig voor. Juist daarom zit ik ermee.

Vroeger maakten we ook al grappen over elkaar. Kees vond mijn neiging om alles te willen uitzoeken vermoeiend. Ik vond hem soms een blaaskaak. Ellen en Marjan konden eindeloos praten over de kinderen en later de kleinkinderen, terwijl wij dan de vaat deden en deden alsof we daar heel nobel boven stonden.

Maar sinds Kees en Ellen drie jaar geleden met pensioen zijn, is er iets verschoven. Kees was teamleider bij een verzekeraar, Ellen werkte in het onderwijs. Ze hebben ineens alle tijd van de wereld en, zo voelt het tenminste, ook een mening over hoe wij die van ons gebruiken.

Ik werk nog drie dagen per week bij een installatiebedrijf. Niet omdat het financieel per se moet, al is het pensioen ook niet zo riant dat ik daar heel stoer over wil doen. Ik vind het bovendien prettig om ergens verwacht te worden. Marjan past twee middagen op onze kleindochter Noor en helpt haar zus sinds kort met administratie, omdat haar zwager ziek is.

Volgens Kees zijn we ‘bang om los te laten’. Hij zei het tijdens een etentje, terwijl hij een stuk zalm in kleine stukjes sneed.

‘Je bent vierenzestig, Bas. Wanneer ga je nou leven voor jezelf?’

Ik zei nog dat ik best tevreden was met mijn leven.

‘Dat zeggen mensen vaak als ze geen idee hebben wat er nog mogelijk is,’ zei Ellen toen.

Marjan lachte. Niet gemeen, eerder ongemakkelijk. Ze zei: ‘Nou ja, een beetje hebben ze wel een punt. Jij zegt vaak dat je rust wilt, maar je neemt nooit vrij.’

Daar ging het me niet eens om. Misschien hadden ze op dat ene punt zelfs gelijk. Het ging erom dat het nooit bij één punt bleef.

Onze tuin was te rommelig. We deden te weinig met Noor omdat we haar soms gewoon een filmpje lieten kijken. We deden juist te veel met Noor omdat ze volgens Ellen moest leren dat opa en oma ook een eigen leven hebben. We kochten te vaak kant-en-klaar, maar gaven te veel geld uit aan een keukenmachine die ik van Marjan voor mijn verjaardag had gekregen. Ik zette de verwarming te hoog. Marjan was te voorzichtig met haar zus. Ik moest ‘eindelijk’ dat conflict met mijn broer uitpraten, terwijl Kees alleen maar weet dat we al een tijd minder contact hebben.

Telkens als ik er iets van zei, kwam hetzelfde antwoord: ‘Je kent ons toch. Wij draaien er niet omheen.’

Of: ‘Als echte vrienden mag je toch eerlijk zijn?’

Marjan vindt dat oprecht. Zij zegt dat je na zo veel jaren geen toneel meer voor elkaar speelt. Dat Kees en Ellen misschien bot zijn, maar ook altijd klaarstaan. En dat ik de laatste tijd sneller geraakt ben omdat ik zelf moeite heb met ouder worden.

Daar zit misschien iets in. Ik merk dat ik niet meer alles even makkelijk van me af laat glijden. Mijn moeder is vorig jaar overleden. Onze oudste zoon is naar Zwolle verhuisd en komt minder vaak dan ik had gedacht. Op mijn werk praten ze voortdurend over wie er wanneer afbouwt. Het is niet alsof ik thuis huilend op de bank zit, maar ik heb wel minder zin in mensen die mij vertellen hoe ik mijn leven moet inrichten.

Twee weken geleden kwam het reisplan ter sprake bij ons thuis. Ellen had appeltaart meegenomen, Kees een fles wijn. Ik wist al dat er iets aan zat te komen, want Marjan had eerder gezegd dat zij ‘een geweldig idee’ hadden.

Kees legde die map op tafel alsof hij een bouwtekening presenteerde. Volgend voorjaar met z’n vieren naar de Algarve. Niet te duur, zei hij, als we nu zouden boeken. Eén groot vakantiehuis, zodat we niet ‘ieder in zijn eigen cocon’ belandden. En dan wel afspreken dat we niet op het laatste moment afhaken voor familieverplichtingen of werk.

Ellen keek Marjan aan en zei: ‘En Bas moet beloven dat hij niet elke ochtend eerst het nieuws en zijn mail gaat zitten lezen. Vakantie is ook een mentaliteit.’

Iedereen lachte behalve ik. Ik probeerde nog iets luchtigs te zeggen, dat ik misschien mijn telefoon in zee zou gooien. Maar ik voelde dat het niet meer lukte om mee te doen.

Kees ging verder. We moesten vooraf aangeven welke avonden we wilden koken. Er zou niet gerookt worden op het terras — ik rook al jaren alleen buiten en hooguit een paar sigaren op vakantie — en er mocht niet te veel gedronken worden, want vorig jaar had ik volgens hem op een avond ‘wel erg veel woorden nodig gehad’.

Dat was na een dag rijden, met een paar glazen wijn. Ik had geen ruzie gemaakt, niemand beledigd. Ik had alleen verteld dat ik misschien minder wilde gaan werken.

Toen ze weg waren, zei ik tegen Marjan dat ik niet mee wilde.

Ze werd eerst stil. Daarna boos, maar op die ingehouden manier van haar. Ze ruimde de glazen op terwijl ze praatte.

‘Dus omdat Kees een stomme opmerking maakt, zet jij tweeëndertig jaar vriendschap op het spel?’

‘Het is niet één opmerking.’

‘Nee, maar jij doet nu alsof ze ons mishandelen.’

Dat woord heb ik zelf nooit gebruikt. Ik zei dat ik alleen niet achttien dagen in een huis wilde zitten waar alles wat ik doe onderwerp van bespreking kan worden. Dat ik ook niet wilde doen alsof ik daar zin in had, alleen omdat we altijd samen gingen.

Marjan zei dat zij wel mee wilde. En dat het haar pijn deed dat ik haar in een positie zette waarin zij moest kiezen.

Ik snap dat. Zij heeft ook niet veel mensen om zich heen die echt dichtbij staan. Haar zus woont in Apeldoorn en heeft genoeg aan zichzelf. Met de vrouwen van haar yogagroep is het gezellig, maar dat is anders. Kees en Ellen zijn voor haar bijna familie.

Maar ik voel me juist door die familie-achtige band klemgezet. Alsof ik dankbaar moet blijven voor alles wat we ooit samen hebben gehad, en daarom nu geen nee meer mag zeggen.

Gisteren stuurde Kees in onze groepsapp: ‘Vluchten worden duurder, graag deze week knoop doorhakken.’ Daarna een duimpje van Ellen en een hartje van Marjan.

Ik heb nog niets teruggestuurd. Marjan doet alsof ze me tijd geeft, maar ik merk aan alles dat ze hoopt dat ik bijdraai. Misschien gebeurt dat ook nog. Misschien zeg ik uiteindelijk toe en heb ik spijt zodra we op Schiphol staan.

Maar vanavond ga ik in elk geval tegen Marjan zeggen dat zij van mij best mee mag, met Ellen en Kees, als ze dat echt wil. Ik ga niet doen alsof dat me niets zou schelen. Alleen ik kan mezelf er niet meer toe zetten om die achttien dagen te kopen met stilte.

Het Excelbestand staat nog open. Ik moet eigenlijk gewoon op ‘verwijderen’ drukken, maar zelfs dat voelt ineens als iets groots.