Mijn man wil onze vakantie afbreken voor zijn depressieve vriend, en ik voel me daar vreselijk schuldig over

Toen we vorige week op de camping in Zuid-Limburg zaten, had ik voor het eerst in jaren mijn telefoon op stil. Geen boodschappenlijstjes, geen appgroep van de familie, geen herinnering van de tandarts. Alleen het geluid van regen op het dak van de caravan en Henk die buiten met een te klein pannetje koffie stond te prutsen.

We zouden tien dagen blijven. Niet bijzonder exotisch, maar voor ons voelde het als een echte vakantie. Sinds Henk met vervroegd pensioen is en ik nog twee ochtenden per week in de bibliotheek werk, zeggen we al jaren dat we meer weg willen. Niet steeds wachten tot iedereen tijd heeft. Gewoon gaan.

Op de tweede avond zag Henk een gemiste oproep van Kees.

Kees en Marjan waren bijna dertig jaar onze vaste mensen. We gingen samen kamperen toen de kinderen klein waren, vierden oud en nieuw bij elkaar, hebben elkaars verhuizingen gedaan en elkaars ouders begraven. Bij hen hoefde je niet eerst uit te leggen waarom je stil was. Kees wist bijvoorbeeld nog dat ik vroeger altijd de korstjes van mijn boterham afhield. Onzin, maar dat soort dingen.

Vorig najaar zijn Kees en Marjan gescheiden. Ik zag het niet aankomen, hoewel ik achteraf natuurlijk van alles kan aanwijzen. De irritaties tijdens etentjes. Marjan die steeds later kwam. Kees die na drie glazen wijn ineens heel hard praatte. Zij is bij haar zus in Zwolle gaan wonen en later een appartement gaan huren. Kees bleef in hun rijtjeshuis in Amersfoort.

Hij zei in het begin dat het wel ging. Dat zegt iedereen in het begin.

Daarna ging Henk iedere woensdagmiddag langs. Eerst om een lamp op te hangen die Kees zelf niet had, daarna om samen voetbal te kijken. Vervolgens moest er naar de garage worden gebeld, er was gedoe met een automatische incasso, de cv gaf een storing. Allemaal dingen die Henk prima kan en ook graag doet. Hij is zo iemand die rustig blijft als een printer vastloopt. Dat is een goede eigenschap, totdat iedereen met een vastgelopen printer bij jou aanklopt.

Kees belde steeds vaker. Niet alleen Henk, ook mij. Soms nam ik op en hoorde ik een tijdje niets. Dan zijn ademhaling, het tikken van een lepel tegen een mok.

“Sorry, Els. Ik wilde gewoon even iemand horen.”

Wat zeg je dan? Ik zei meestal dat ik blij was dat hij belde. En dat meende ik ook. Alleen belde hij soms om half elf ’s avonds, als ik al in bed lag met mijn boek. Dan lag ik daarna wakker, omdat hij had gezegd dat hij die dag nog niet buiten was geweest.

We hebben meerdere keren voorzichtig over hulp gepraat. De huisarts, de praktijkondersteuner ggz, misschien een praatgroep. Kees knikte dan, keek naar zijn handen en zei: “Ja, moet ik doen.” Maar er gebeurde niets. Een keer had Henk zelfs aangeboden mee te gaan naar de huisarts. Kees vond dat overdreven.

“Zo gek ben ik nou ook weer niet,” zei hij.

Henk zei niks terug. Hij keek alleen naar de vloer. Later in de auto zei hij: “Hij schaamt zich gewoon.”

Dat snap ik. Ik schaam me zelf soms al als ik moet toegeven dat ik een dag nergens zin in heb. Maar ondertussen werd Kees’ leven steeds kleiner en het onze ook, alleen op een andere manier.

Een etentje met mijn oud-collega’s sloegen we af omdat Kees die middag zo somber had geklonken. De verjaardag van onze dochter in Utrecht werd een haastig bezoek, want Henk wilde voor het donker terug zijn om nog even bij Kees langs te gaan. Als we iets planden, kwam er altijd eerst: “Even kijken hoe het met Kees is.”

Ik begon daar lelijk van te worden. Niet tegen Kees, meestal niet. Tegen Henk.

“Hij kan toch ook eens een avond alleen zijn?” zei ik eens terwijl ik sperziebonen stond af te halen.

Henk zette zijn bril af en wreef over zijn ogen. “Els, hij ís altijd alleen.”

Daar kon ik dan niets goeds op zeggen. Want dat was precies het probleem.

Op de camping belde Kees de volgende ochtend opnieuw. Henk liep naar buiten met zijn telefoon. Ik zag hem door het raam heen stilstaan bij het sanitairgebouw, één hand in zijn zak. Het gesprek duurde bijna drie kwartier.

Toen hij terugkwam, was zijn gezicht grauw.

“Kees heeft gisteren twee flessen wijn gedronken,” zei hij. “Hij zegt dat hij niet weet waar hij het allemaal voor doet.”

Ik voelde meteen die koude druk in mijn buik. Ik zei dat Henk de huisartsenspoedlijn moest bellen als hij dacht dat het niet veilig was. Henk zei dat Kees had beloofd niets te doen, maar dat hij hem niet alleen wilde laten.

“Wat bedoel je?” vroeg ik.

“Ik denk dat ik terugga. Vanmiddag.”

Ik dacht eerst dat hij bedoelde: even bellen, misschien een nacht naar huis. Maar hij wilde de vakantie afbreken. Hij zei het heel praktisch, alsof we bespraken of we de voortent nog moesten laten staan.

Ik heb iets gezegd waar ik niet trots op ben. “Dus Kees beslist nu ook al over onze vakantie?”

Henk keek me aan alsof ik een vreemde was. “Dat zeg je toch niet?”

“Hij beslist niet, Henk. Jij beslist. Maar ik mag blijkbaar alleen mee in die beslissing als ik het ermee eens ben.”

We hebben die ochtend nauwelijks gepraat. Hij ging naar de receptie om te vragen wat er mogelijk was met eerder vertrekken. Ik bleef bij de caravan en vouwde handdoeken op die helemaal niet droog waren. Ik was boos, maar ook bang. Vooral bang dat er iets met Kees zou gebeuren en dat mijn boosheid dan voor altijd aan dat moment vast zou zitten.

Uiteindelijk belde Henk Kees nog een keer. Kees nam niet op. Daarna belde Henk de buurvrouw van Kees, een aardige vrouw die wij vaag kennen van de straat. Zij wilde aanbellen. Ze belde een halfuur later terug: Kees deed open, zag er beroerd uit, maar leefde en wilde geen ambulance of huisarts. Ze zou later die avond nog eens kijken.

Henk bleef alsnog onrustig. We zijn de volgende dag teruggereden, niet diezelfde middag. Het voelde als een compromis, maar niemand was er echt blij mee. Ik heb de caravan ingepakt terwijl Henk buiten steeds op zijn scherm keek.

Sinds we thuis zijn, gaat hij weer elke woensdag en vaak ook zondag naar Kees. Soms neemt hij boodschappen mee. Soms zit hij er drie uur en zegt Kees nauwelijks iets. Vorige week kwam Henk thuis met een tas vol vuile was van Kees, omdat de wasmachine kapot was. Ik heb die tas in de bijkeuken gezet en er een hele dag naar gekeken voordat ik iets deed.

Die avond heb ik gezegd dat ik dit niet meer trek zoals het nu gaat. Niet omdat Kees me niets kan schelen. Juist omdat ik bang ben dat ik hem steeds minder ga verdragen, terwijl hij ooit een van de mensen was bij wie ik me thuis voelde.

Ik heb Henk gevraagd om niet meer op elk belletje direct te springen, om minstens één vaste avond per week echt van ons te houden en om nog één keer heel duidelijk met Kees te praten over hulp via de huisarts. Henk vond het hard klinken. Misschien klonk het ook hard.

Maar hij heeft wel gezegd dat hij komende vrijdag met Kees naar de huisarts wil, als Kees akkoord gaat. En hij heeft voor zaterdag kaartjes gehouden voor een voorstelling waar we al maanden heen wilden.

Kees heeft nog niet teruggebeld over die huisarts. Henk doet alsof dat niets zegt, maar ik merk dat hij zijn telefoon overal mee naartoe neemt. Zelfs naar de schuur.

Ik heb de campingstoelen nog niet opgeruimd. Ze staan ingeklapt tegen de muur, met een beetje modder aan de poten. Misschien gaan we later in het najaar nog een paar dagen weg. Misschien ook niet. Op dit moment durf ik eigenlijk niets te plannen dat verder gaat dan zaterdagavond.