Na veertig jaar vriendschap vroeg Kees of wij onze vakantie wilden afzeggen om op Marjan te passen
Ik heb de caravan nog niet eens uit de stalling gehaald dit jaar, maar ik weet inmiddels precies wat erin ligt. De opvouwbare stoelen, de blauwe melamine bekers die Ellen per se wilde houden, ondanks dat ik ze lelijk vind, en een map met onze reservering voor drie weken Frankrijk. Dordogne eerst, daarna via de Elzas rustig terug. Niets spectaculairs. Juist daarom keken we er zo naar uit.
Vorige maand belde Kees op een donderdagavond.
Hij begon niet eens met vragen hoe het met ons was. Hij zei: „Jullie gaan toch pas half juni weg?”
Ik wist meteen waar het naartoe ging. Dat klinkt misschien hard, maar de laatste tijd gaan veel gesprekken met Kees zo. Eerst een praktische vraag. Daarna een stilte waarin je al voelt dat je iets moet beloven.
Kees en Marjan kennen we sinds 1983. We woonden toen allebei in een nieuwbouwwijk in Amersfoort, nog met kleine kinderen en veel te weinig geld. Ellen en Marjan brachten de kinderen naar school, Kees en ik voetbalden op zondag bij een clubje waar niemand echt goed was. We hebben samen gekampeerd in de regen in Zeeland, zijn naar Praag geweest toen dat nog een heel gedoe was met geld wisselen, en aten vrijwel iedere vrijdag bij elkaar. Om en om. Dat bleef, ook toen de kinderen het huis uit gingen en we allemaal druk waren met werk.
Marjan was altijd degene die alles onthield. Verjaardagen, de naam van een serveerster die we drie jaar eerder in Italië hadden gehad, welke wijn Kees lekker vond maar waar hij hoofdpijn van kreeg. Ze kon soms bemoeizuchtig zijn, dat zeker. Maar ze was ook warm. Als mijn moeder in het ziekenhuis lag, stond Marjan ineens op de stoep met een pan nasi, alsof dat de normaalste zaak van de wereld was.
Twee jaar geleden begon het met kleine dingen. Ze stelde dezelfde vraag drie keer tijdens het eten. Ze raakte onderweg naar huis de weg kwijt vanaf de supermarkt waar ze al dertig jaar kwam. Een keer had ze de waterkoker op het gas gezet. Ellen merkte het eerder dan ik, denk ik. Ik vond dat ik niet zo snel iets achter mensen moest zoeken. Misschien wilde ik het ook gewoon niet zien.
Uiteindelijk kwam er een diagnose, na onderzoeken via de huisarts en de geheugenpoli. Beginnende Alzheimer. Kees zei toen: „We gaan dit samen wel regelen.” Hij zei het op zo’n manier dat je dacht dat hij een lekkende kraan bedoelde.
In het begin hielpen we vanzelfsprekend. Boodschappen meenemen. Een middag bij Marjan zitten zodat Kees naar de tandarts kon of gewoon even kon wandelen. Ellen ging een paar keer met haar naar de kapper. Marjan werd daar blij van, geloof ik. Of ze vergat het daarna, maar op dat moment was ze blij.
Alleen werd het geen af en toe meer.
Kees belde steeds vaker. Soms om acht uur ’s ochtends, soms tijdens het eten. Marjan had haar medicijnen niet genomen. Marjan wilde niet douchen. Marjan was boos omdat Kees haar portemonnee had verstopt, terwijl zij die waarschijnlijk zelf ergens had neergelegd. Ik zeg waarschijnlijk, want eerlijk is eerlijk: Kees begon ook dingen weg te leggen zonder het haar te vertellen. Hij was voortdurend gespannen.
We zeiden een paar keer dat hij contact moest opnemen met de casemanager dementie. Die was er ook, via de geheugenpoli. Er was een wijkverpleegkundige voorgesteld, en dagbesteding, eerst een ochtend per week. Kees wilde er niets van weten.
„Dan wordt ze behandeld als een patiënt,” zei hij.
Ellen zei voorzichtig dat Marjan een patiënt ís, naast dat ze Marjan blijft.
Daar werd Kees heel stil van. Ik zag hem naar zijn handen kijken. Hij zag er toen al slecht uit: magerder, een overhemd met een koffievlek op de mouw, ongeschoren. Ik had medelijden met hem. Dat heb ik nog steeds.
Maar medelijden is een ingewikkeld iets als iemand er een rooster van maakt.
Begin mei stuurde hij via WhatsApp een schema. Maandag Ellen van tien tot vier. Woensdag ik van tien tot vier. Vrijdag wij allebei „naar gelang behoefte”. Hij had er zelfs namen boven gezet: ‘zorg Marjan’. Alsof wij het al hadden afgesproken en hij het alleen netjes op papier had gezet.
Ellen las het bericht aan de keukentafel. Ze zette haar telefoon neer en zei niets. Dat is bij haar meestal een slecht teken.
Ik zei dat ik Kees wel zou bellen.
„Nee,” zei ze. „Niet weer meteen gladstrijken omdat hij het moeilijk heeft.”
Ze had gelijk. Ik doe dat. Kees is al veertig jaar mijn vriend. Als hij boos wordt, probeer ik de boel lichter te maken. Een grapje, een biertje, zeggen dat het wel goedkomt. Maar het kwam niet goed. Niet door ons stilhouden in ieder geval.
Toen ik hem belde, zei ik dat drie dagen per week voor ons niet haalbaar was. We hadden zelf afspraken, ik help nog één dag bij mijn oude werkgever met administratie, Ellen past geregeld op onze kleindochter. En we wilden ook gewoon tijd voor onszelf. Dat laatste zei ik pas nadat hij bleef doorvragen. Het voelde kinderachtig, bijna egoïstisch, om het hardop te zeggen.
Kees snoof.
„Jullie zijn met pensioen, Henk.”
„Dat betekent niet dat we altijd beschikbaar zijn.”
„Nee, blijkbaar niet.”
Ik voelde me meteen weer zeventien, alsof ik iemand teleurstelde die meer recht had op mijn tijd dan ikzelf.
Het echte gedoe kwam bij die vakantie. Kees had blijkbaar in zijn hoofd dat wij de eerste drie weken van juni zouden overnemen, zodat hij kon uitrusten. Niet ergens heen, zei hij, gewoon slapen en zijn hoofd leegmaken. Toen ik zei dat wij weg zouden gaan, zei hij: „Die caravan loopt niet weg. Marjan wel, als ik zo doorga.”
Dat was gemeen, maar ook niet helemaal onwaar. Ik werd er woest van en schaamde me daar direct voor. Hij is degene die elke nacht wakker wordt omdat Marjan door het huis loopt. Hij is degene die haar soms niet meer herkent in haar stemming, niet in haar gezicht misschien, maar in alles wat ze doet.
Die vrijdag hebben we het diner afgezegd. Voor het eerst in ik denk 36 jaar. Kees stuurde alleen: ‘Prima.’ Marjan belde een uur later zelf. Ze vroeg of we ziek waren en of de risotto was gelukt. Ik zei dat we een rustige avond hadden. Ze zei: „Dat mag ook wel eens.”
Ellen huilde nadat we hadden opgehangen. Niet hard. Ze stond de vaatwasser in te ruimen en veegde met haar pols langs haar gezicht.
Een week later zijn we met Kees naar het gesprek met de casemanager gegaan. Dat wilde hij eerst niet, maar ik had gezegd dat ik alleen mee wilde helpen als er ook professionele ondersteuning kwam. Geen drie dagen per week bij hen zitten zonder plan. Ik was bang dat hij zou zeggen: laat dan maar. Misschien hoopte een deel van mij daar zelfs op.
Maar hij ging mee.
Hij zei weinig tijdens het gesprek. De casemanager vertelde over thuiszorg, respijtzorg en dagactiviteiten. Kees keek alsof hij alles afwees, tot zij zei dat hulp inschakelen niet betekende dat hij Marjan in de steek liet. Toen begon hij ineens te huilen. Heel stil. Hij draaide zijn gezicht naar het raam, maar niemand deed alsof we het niet zagen.
We gaan nog steeds op vakantie. Over twee weken zelfs. Ik heb er niet hetzelfde vrije gevoel bij als anders. Kees vindt het nog steeds moeilijk dat we gaan, dat merk ik aan zijn korte berichten. Marjan gaat sinds kort op dinsdag naar een ontmoetingscentrum. Soms vindt ze het leuk, soms zegt ze dat ze er nooit meer heen wil.
Ellen gaat nu eens per twee weken met haar koffie drinken of een stukje lopen, als Marjan daar zin in heeft. Ik help Kees af en toe met dingen waar hij niet uitkomt, vooral administratie en bellen. Geen rooster. Geen vaste zorgdagen.
Vorige zondag stonden Kees en Marjan ineens voor de deur. Marjan had een schaal aardbeien bij zich. Kees zei dat ze per se naar ons toe wilde, maar ik weet niet of dat waar was. We hebben koffie gedronken in de tuin. Marjan vertelde drie keer dat wij naar Frankrijk gingen.
De derde keer zei ze: „Dat is fijn voor jullie. Jullie hebben dat altijd zo verdiend.”
Kees keek naar zijn kopje. Ik zei niets, omdat ik niet wist welk antwoord goed genoeg zou zijn.