Na veertig jaar vriendschap zei mijn vrouw dat ze niet meer mee wilde naar Toscane, en ineens stonden wij buiten onze eigen kring

De wijnkoelkast was het eerste wat Els op Marktplaats zette. Niet de oude stoel op zolder of de dozen met servies waar we nooit meer uit aten, maar precies die koelkast waar Paul altijd met een overdreven plechtig gezicht een fles uit koos.

Hij en Marijke kwamen al bijna veertig jaar iedere vrijdagavond bij ons, of wij bij hen. Eerst nog met de kinderen erbij, later met aanhang, daarna zonder kinderen omdat die allemaal hun eigen leven hadden. We aten om half zeven. Vrijdag was vrijdag. Paul maakte meestal iets met vlees op de barbecue, ook in februari als het vroor. Marijke had altijd schaaltjes met nootjes, van die dure gemengde zonder pinda’s. Els en ik namen wijn mee, zij het toetje of kaas.

Het waren geen vrienden die je af en toe sprak. Zij wisten dat ik vroeger slecht sliep als ik gedoe had op kantoor. Wij zaten naast hen toen Marijkes moeder overleed. Toen Paul zijn heup moest laten vervangen, reed Els hem drie weken naar de fysio. In de zomer gingen we samen weg. Frankrijk, Italië, een keer Portugal. Altijd een huis met een zwembad, meestal net iets mooier dan we eigenlijk nodig hadden.

Ik zeg dit omdat ik lang heb gedaan alsof het allemaal draaide om die koelkast.

Els veranderde na haar borstoperatie, denk ik. Het was gelukkig goedaardig, maar ze moest wel onder narcose en er waren een paar weken waarin we allebei stiller waren dan anders. Ze begon boeken uit de bibliotheek te halen over eenvoudiger leven. Eerst ruimde ze de keukenlades op. Daarna kwamen de kledingkasten. Ze gaf twaalf paar schoenen weg en zei dat ze er nog steeds te veel had.

Ik vond het eerlijk gezegd wel prettig. Ons huis in Amersfoort was vol geraakt zonder dat ik het doorhad. Oude administratie, vazen die we nooit gebruikten, meubels waar je omheen moest lopen. Maar Els ging verder dan ik verwachtte. Ze zei ons abonnement op de golfclub op. Ze wilde geen nieuwe auto meer als onze Volvo aan vervanging toe was. Ze liet de tuinman weten dat hij niet meer hoefde te komen en stond zelf met een snoeischaar in de regen.

‘Je hoeft niet ineens alles weg te gooien omdat je een paar weken bang bent geweest,’ zei ik een keer. Meteen toen ik het zei, zag ik haar gezicht dichtgaan.

‘Ik gooi niet alles weg,’ zei ze. ‘Ik probeer te kijken wat ik echt wil houden.’

Paul maakte er eerst grappen over. Hij zag de wijnkoelkast niet meer staan en vroeg of Els hem soms als straf had verkocht.

‘Hij slurpte stroom,’ zei ze.

‘Ach, wij ook,’ zei Paul, en hij tikte tegen zijn buik.

Iedereen lachte, ook Els. Maar daarna werd het ongemakkelijker. Zij dronk op vrijdag vaak thee. Niet op een belerende manier, vond ik. Ze zei gewoon dat ze minder alcohol wilde. Marijke nam dat toch persoonlijk op.

‘Je kijkt alsof wij aan de jenever zitten,’ zei ze een avond, terwijl ze nog niet eens haar tweede glas op had.

Els zei: ‘Dat kijk ik helemaal niet.’

Maar ze ging ook niet echt in op dat soort opmerkingen. Ze kon vroeger goed meebewegen, soms té goed. Nu liet ze stiltes vallen. Paul en Marijke vulden die stiltes meestal op met een nieuw verhaal over hun cruiseplannen of de badkamer die ze wilden laten doen. En dan voelde ik dat Els naast me strakker ging zitten.

De echte ruzie begon met de vakantie. Paul had een villa gevonden in Toscane voor september. Acht dagen, eigen zwembad, uitzicht op wijngaarden. Het was duurder dan andere jaren, maar we konden het betalen. Althans, ik kon het betalen. Els zei dat ze niet meer mee wilde.

Ze had een kleine camping bij de Veluwe gevonden. Met een trekkershut, geloof ik, hoewel ze later zei dat een tent ook prima was. Fietsen, koken op een gaspitje, geen vliegtuig, geen gedoe.

Paul keek haar aan alsof ze had voorgesteld om met z’n vieren in een schuurtje te gaan zitten.

‘Els, we zijn geen twintig meer,’ zei hij.

‘Nee, precies,’ zei zij. ‘Daarom wil ik niet iedere vakantie terugkomen alsof ik moet bijkomen van alle luxe.’

Marijke zei dat een camping in Nederland geen vakantie was maar verplaatsen van je eigen huishouden naar een nat grasveld. Ik vond dat niet aardig, maar ik zei niets. Dat deed ik steeds minder, merkte ik.

We gingen uiteindelijk niet samen weg. Paul en Marijke gingen met hun dochter en schoonzoon naar Italië. Els en ik bleven een week thuis en gingen twee nachten naar een natuurkampeerterrein bij Lochem. Ik sliep slecht op een te dun matras en miste een normale douche. Els was juist opvallend gelukkig. Ze zat ’s ochtends met koffie voor de tent en keek naar niks. Ik wist niet goed wat ik daar moest zoeken.

In november werd Marijke 67. Ze gaf een feestje bij hen thuis, met familie, buren en mensen van de tennis. Els wilde eerst niet. ‘Ik heb geen zin om de hele avond te moeten uitleggen waarom ik geen nieuwe keuken nodig heb,’ zei ze.

Ik heb haar overgehaald. Daar schaam ik me nu een beetje voor, al snap ik ook waarom ik het deed. Ik wilde niet dat veertig jaar zomaar verdween omdat wij ineens ingewikkeld waren geworden.

Het begon pas laat op de avond. Paul had te veel gedronken en vertelde bij de eettafel dat ze in januari een elektrische BMW zouden ophalen. Iemand vroeg of dat niet juist heel duurzaam was. Paul zei dat hij daar geen verstand van had, maar dat hij vooral zin had in stoelen die warm werden voordat je erin zat.

Marijke keek naar Els. ‘Jij vindt daar vast weer iets van.’

Els had een glas spa rood in haar hand. Ze zei rustig: ‘Nee hoor. Het is jullie geld.’

‘Maar je vindt het wel onzin.’

‘Soms vind ik dingen onzin, ja. Net als jullie waarschijnlijk mijn camping onzin vinden.’

Paul zette zijn glas neer, iets te hard. ‘Het gaat niet om die camping. Het gaat erom dat jij de laatste tijd overal boven hangt alsof wij het niet begrepen hebben.’

Els werd rood. ‘Dat doe ik niet.’

‘Jawel,’ zei Marijke. ‘Alsof wij oppervlakkig zijn omdat we nog gewoon genieten van dingen.’

Ik had daar iets moeten zeggen. Bijvoorbeeld dat Els ook niet altijd makkelijk was geweest. Dat ze soms inderdaad met zo’n afkeurende blik kon zwijgen. Maar ook dat Paul en Marijke haar verandering telkens behandelden als een modegril waar zij weer van genezen moest.

In plaats daarvan zei ik: ‘Misschien zijn we gewoon niet meer hetzelfde.’

Het was er meteen uit. Te hard, te definitief. Er werd niet eens meer geroezemoesd aan tafel. Ik zag Marijke knipperen alsof ze iets in haar oog had.

Paul zei: ‘Nou, als dat jouw conclusie is na al die jaren, dan weet ik genoeg.’

We zijn vrij snel weggegaan. In de auto zei Els eerst niets. Bij de rotonde bij de A28 begon ze te huilen, zonder geluid. Ik legde mijn hand op haar knie, maar ze duwde hem niet weg en pakte hem ook niet vast.

De weken daarna appte Marijke alleen over praktische dingen. Of we nog een schaal van haar hadden. Of Paul zijn boormachine ooit bij ons had laten liggen. De schaal stond in onze kelder. De boormachine ook.

Vorige dinsdag heb ik alles in een boodschappentas gedaan en bij hen voor de deur gezet. Ik belde aan, maar er werd niet opengedaan. Misschien waren ze weg. Misschien zagen ze ons op de camera en hadden ze geen zin.

Els heeft inmiddels weer een paar dingen gekocht, trouwens. Een goede regenjas, omdat die oude echt lek was. En vorige maand dronken we bij de buren een glas wijn. Ze is niet veranderd in iemand die alleen nog op een krukje in een lege kamer wil zitten.

Maar vrijdagavond blijft vreemd. Soms dek ik bijna automatisch voor vier personen. Dan legt Els haar hand op mijn arm en zegt ze niets. Daarna eten we wat er toevallig in huis is, vaak veel te laat.