Toen onze vriendschap veranderde in zorg: ik moest kiezen tussen Els helpen en mezelf verliezen

‘Je kunt toch niet serieus zeggen dat ik Kees naar een vreemde moet sturen?’ Els stond in mijn keuken met haar jas nog aan. Haar wangen waren rood van de kou en van woede. ‘Na veertig jaar vriendschap. Jullie weten toch wie hij is?’

Ik had net de aardappels afgegoten. De damp sloeg tegen mijn bril, maar ik zag haar gezicht scherp genoeg. Achter haar zat Henk aan tafel, stil, zijn handen om een koude mok koffie.

‘Els,’ zei ik zacht, ‘we zeggen niet dat we weggaan.’

‘Zo voelt het wel.’

Dat ene zinnetje kwam harder aan dan ik wilde toegeven.

Vroeger waren we met z’n vieren bijna belachelijk hecht. Iedere donderdag aten we om en om bij elkaar. Bij Els en Kees was het vaak stamppot met jus in zo’n bruine schaal, bij ons pasta of een ovenschotel die Henk te lang in de oven liet staan. In september gingen we een week naar Texel. Kees maakte dan steevast flauwe grappen bij de veerboot en Els en ik liepen uren langs het strand, schoenen in onze hand.

We hadden het over onze kinderen, onze eerste banen, de verbouwingen die nooit afkwamen. Toen Henk een hartoperatie kreeg, stonden Els en Kees de eerste ochtend al voor de deur met een tas boodschappen. ‘Niet moeilijk doen,’ zei Kees toen. ‘Daar zijn vrienden voor.’

Misschien is dat precies waarom ik zo lang ja bleef zeggen.

Het begon klein. Kees vergat de pincode van zijn bankpas. Daarna belde Els omdat hij de verwarming op 28 graden had gezet en niet meer wist waarom. Een paar maanden later vond ze hem in de schuur, in zijn pyjama, op zoek naar zijn overleden vader.

De huisarts sprak over een beginnende vorm van dementie. Een casemanager, dagbesteding, thuiszorg; er waren mogelijkheden genoeg. Maar Els wilde er niets van weten.

‘Die mensen kennen hem niet,’ zei ze. ‘Dan wordt hij een dossier. Jullie kennen de echte Kees.’

Dus reed Henk op dinsdagmiddag met Kees naar de supermarkt, omdat Kees anders met drie pakken koffie en geen brood thuiskwam. Ik ging op donderdag bij Els zitten zodat zij naar de kapper kon, al zei ze steeds vaker af omdat ze hem niet durfde achter te laten. In het begin voelde het logisch. Menselijk ook.

Maar de telefoontjes werden meer.

‘Marijke, kun je even komen? Hij is boos.’

‘Henk, Kees wil niet douchen. Misschien luistert hij naar jou.’

‘Jullie zouden toch vanmiddag kunnen? Ik moet echt slapen.’

Op een zondag zaten Henk en ik eindelijk samen op de bank. De regen tikte tegen het raam. We zouden naar onze dochter in Amersfoort gaan, maar zij had afgezegd omdat de kleinkinderen verkouden waren. Voor het eerst in weken hoefden we nergens heen.

Toen belde Els. Kees had de afstandsbediening in de koelkast gelegd en beschuldigde haar ervan dat zij hem gek wilde maken.

Henk nam niet op.

Ik keek hem aan alsof hij iets onvoorstelbaars deed.

‘Ze heeft ons nodig,’ fluisterde ik.

‘Wij hebben ook elkaar nodig, Marijke.’ Zijn stem was niet hard. Dat maakte het erger. ‘Ik word ’s nachts wakker en denk: gaat de telefoon alweer? Jij schrikt van ieder geluid. Dit is geen vriendschap meer zoals het nu gaat.’

Ik werd kwaad. Echt kwaad. Ik zei dat hij geen idee had hoe alleen Els zich voelde. Hij keek me lang aan en antwoordde: ‘En jij dan? Wanneer heb jij voor het laatst iets gedaan zonder bang te zijn dat we haar teleurstellen?’

Daar had ik geen antwoord op.

Een week later stelde Henk voor om samen met Els naar de huisarts te gaan. Niet om haar iets op te leggen, zei hij, maar om hulp te regelen voordat het misging. Els kwam die avond bij ons eten. Kees bleef thuis, omdat hij dacht dat hij moest werken bij de fabriek waar hij al twintig jaar weg was.

Henk legde het voorzichtig uit. Dagbesteding. Iemand die een paar uur per week kon komen. Misschien respijtzorg, zodat Els eens kon slapen.

Els liet haar vork op haar bord vallen.

‘Jullie willen hem afschuiven.’

‘Nee,’ zei Henk. ‘We willen voorkomen dat jij eraan onderdoor gaat. En wij ook.’

Ze keek naar mij. Niet naar Henk, alleen naar mij. Haar ogen waren nat, maar haar mond stond strak.

‘Dus dit is wat ik na al die jaren waard ben?’

Ik wilde zeggen dat ze alles waard was. Dat ik bang was. Dat ik Kees nog steeds zag zoals hij was, met zijn harde lach en zijn eeuwige pepermuntjes in zijn jaszak. Maar ik dacht ook aan onze ongeopende post, aan Henk die stiller werd, aan mezelf in de badkamer met de deur op slot omdat ik ineens moest huilen.

‘Je bent mijn vriendin,’ zei ik uiteindelijk. ‘Juist daarom kan ik niet doen alsof wij dit alleen kunnen dragen.’

Els vertrok zonder haar jas dicht te doen. Sindsdien heeft ze twee keer niet opgenomen. Kees belde gisteren zelf, verward, om te vragen of we donderdag nog komen eten. Ik zei ja, terwijl Henk me vanaf de overkant van de kamer aankeek.

We gaan donderdag. Maar daarna wil ik opnieuw met Els praten. Met hulp erbij, hoe boos ze ook wordt. Ik kan haar verdriet niet wegnemen door mijn eigen leven stukje voor stukje weg te geven.

Is liefde voor een vriendin pas echt als je geen grens trekt? Of is een grens soms het laatste wat er nog nodig is om elkaar niet helemaal kwijt te raken?