Ik boekte bijna stiekem dat weekend weg, terwijl mijn zieke vrouw boven lag te huilen en onze vrienden beneden op de deur bonsden

“Heb je het nou echt geboekt?” vroeg Anja vanaf de trap, met zo’n stem die meteen in je ribbenkast gaat zitten.

Ik had mijn laptop nog open op de eettafel. Een huisje in Otterlo. Twee nachten. Niet eens bevestigd, alleen bijna. Mijn vinger hing boven de knop.

Beneden ging de bel. Kort, dan nog een keer. Ik keek naar het scherm, toen naar Anja. Ze stond in haar ochtendjas, bleek, één hand tegen de leuning alsof zelfs dat al moeite kostte.

“Zeg me alsjeblieft dat je het niet gedaan hebt, Kees.”

Ik weet nog dat ik niks zei. Dat was eigenlijk al antwoord genoeg.

Wij wonen al zesendertig jaar in hetzelfde dorp, vlak bij Gouda. Iedereen kent elkaar hier net iets te goed. Onze vriendengroep bestaat al sinds de basisschool van de kinderen. Zaterdag eten, donderdag kaarten, in mei een weekendje weg, in september met z’n allen naar Zeeland. Het was altijd vanzelfsprekend. Alsof het nooit anders kon worden.

Tot Anja ziek werd.

Niet opeens dramatisch met sirenes en spoed. Juist sluipend. Eerst moe. Toen misselijk. Toen dagen dat haar lijf gewoon op was voordat de ochtend begon. De arts noemde het een chronische auto-immuunziekte. Een heel verhaal met ontstekingen, medicatie, opvlammingen. Ik hoorde vooral dit: het gaat niet meer weg.

Ik was net drie maanden met pensioen. Iedereen zei nog: “Nou Kees, eindelijk genieten.” Alsof het leven daar netjes op had gewacht.

In het begin probeerden we mee te blijven doen. Een etentje hier, een verjaardag daar. Maar Anja trok het vaak niet.

“Sorry mensen, ik moet even liggen,” zei ze dan, al om half acht.

Of we zeiden op het laatste moment af. Weer.

Na een tijdje voelde ik de sfeer verschuiven. Niet meteen hard, meer van die kleine prikken.

“Jullie zijn ook ongrijpbaar geworden.”

“We vragen het bijna niet meer, want jullie komen toch niet.”

“We missen de oude Kees een beetje.”

Die laatste kwam van mijn beste vriend, Henk, op een vrijdagmiddag in het café. Ik was er voor het eerst in weken.

“De oude Kees?” zei ik. “Die is thuis de was aan het doen en pillendoosjes aan het vullen.”

Henk lachte niet. “Je hoeft jezelf toch niet helemaal op te geven?”

Dat zinnetje bleef hangen. Alsof ik overdreef. Alsof trouw zijn aan mijn vrouw een soort hobby was waar ik ook wel een dagje mee kon stoppen.

De groep stelde voor om vaker bij ons thuis af te spreken. Lief bedoeld, misschien. Maar Anja verstijfde al als ik het alleen maar noemde.

“Nee, Kees. Niet hier. Ik wil niet dat iedereen mijn gezicht ziet als ik zo ben. Ik wil niet gezellig zitten doen terwijl ik aftel tot ze weg zijn.”

“Het is alleen omdat ze ons willen blijven zien.”

“Of omdat zij zich beter willen voelen,” beet ze me toe. Meteen daarna begon ze te huilen. “Sorry. Maar ik kan het gewoon niet aan.”

Dus zei ik weer af. En weer.

Op een avond stond de hele groep alsnog onaangekondigd in de voortuin. Met bloemen, soep, een kaart, goede bedoelingen en veel te harde stemmen.

“We dachten: we overvallen jullie gewoon even gezellig,” zei Marijke.

Gezellig. Dat woord alleen al.

Anja hoorde ze al voor ik de deur goed open had. Ik zag haar boven aan de overloop verschijnen en meteen weer verdwijnen. Niet lang daarna hoorde ik de badkamerdeur dicht.

Ik zei nog: “Dit komt eigenlijk niet zo goed.”

Henk zuchtte hoorbaar. “Ja, wanneer komt het dan nog wel goed?”

Dat kwam aan. Die opmerking ook. Alsof wij kozen voor afstand. Alsof ziekte gewoon onbeleefd gedrag was.

Een week later appte de groep over een grote vakantie naar Drenthe. Fietsen, borrelen, een huis met acht slaapkamers. Daaronder, speciaal aan mij gericht: kom desnoods maar één weekendje, Kees. Even eruit. Anja redt zich vast wel.

Ik heb dat bericht wel tien keer gelezen.

Anja lag die middag te slapen op de bank. Haar ademhaling was onrustig. Op tafel stond een half kopje koude thee en de medicijnen voor vier uur. En ik, laf als ik was, zat te kijken naar vakantiehuisjes voor alleen dat weekend. Ik vertelde mezelf dat ik het deed voor later. Om niet iedereen kwijt te raken. Om nog iets van mezelf over te houden.

Maar toen werd Anja wakker en zag ze mijn scherm.

“Dus dit is waar je mee bezig bent terwijl ik lig te slapen?” zei ze zacht.

Dat zachte was erger dan boosheid.

“Ik weet het gewoon niet meer, An. Ik trek het ook niet altijd. Ik mis… ik mis gewoon dat ik ergens heen kan zonder eerst te rekenen hoeveel uur jij nog redelijk bent.”

Ze keek me lang aan. Niet kwaad. Eerder kapot.

“Denk je dat ík dat niet mis?” vroeg ze. “Denk je dat ik het leuk vind dat jij alleen nog maar mantelzorger bent? Maar als jij daarheen gaat omdat zij duwen, dan laat je mij niet even alleen. Dan kies je hun ongemak boven mijn rust.”

Ik ben toen gaan zitten. Gewoon op de grond, naast de bank. Alsof mijn benen het niet meer deden.

Die avond heb ik Henk gebeld. Niet geappt. Gebeld.

“Ik kom niet,” zei ik.

Hij bleef even stil. Toen: “Je laat ons wel vallen, ouwe.”

Ik voelde iets knappen in me. “Nee,” zei ik. “Jullie laten mij vallen omdat ik niet meer gezellig genoeg ben. Dat is iets anders.”

Hij begon over hoe vriendschap van twee kanten moet komen, over dat ze ook hun best deden, over dat niemand meer wist hoe ze ons moesten bereiken. Er zat waarheid in, dat geef ik toe. Ik had me ook teruggetrokken. Ik was moe, kortaf, soms dagen niet bereikbaar. Maar ik was ook aan het overleven, en Anja ook.

Sindsdien is het stil. Een paar mensen sturen nog af en toe een bericht. Marijke bracht laatst bloemen en zette ze zonder bellen bij de deur. Dat vond Anja fijn. Henk heb ik al drie maanden niet gezien.

Soms denk ik nog steeds: had ik toch dat ene weekend moeten gaan? Misschien waren sommige vriendschappen dan gered. Misschien ook niet.

Maar ik weet inmiddels wel dit: mensen roepen snel dat ze er voor je zijn, tot jouw verdriet hun planning begint te verstoren.

Wat had ik moeten doen? Mijn vrouw beschermen tegen de druk, of vechten om niet allebei van de wereld te verdwijnen?

Ik ben benieuwd hoe anderen dit zien, want eerlijk is eerlijk: ik weet het zelf nog steeds niet helemaal.