Twee jaar lang stond onze voordeur elke avond open voor onze weduwnaar-vriend, tot ik op een avond zei dat het zo niet langer ging
‘Dus ik ben ineens te veel?’
Henk stond met zijn jas nog aan in onze hal, zijn sleutels in zijn hand geklemd alsof hij niet wist of hij ze moest wegstoppen of meteen weer naar buiten moest lopen. Zijn gezicht trok wit weg. Achter hem sloeg de novemberregen tegen het keukenraam. Ik voelde mijn maag samentrekken, maar ik zei het toch.
‘Nee, zo bedoel ik het niet. Ik zeg alleen dat elke avond… dat het ons opbreekt.’
Arie schoof zijn stoel hard naar achteren.
‘Marjan, moet dit nou zo?’ zei hij, met die lage stem die hij alleen gebruikt als hij kwaad is en het niet wil laten merken.
Ik wist op dat moment al: wat ik ook zou zeggen, ik was degene die de klap uitdeelde.
Toen Henk twee jaar geleden zijn vrouw Anneke verloor, waren wij de eersten die bij hem op de stoep stonden. Arie en Henk kennen elkaar al sinds de technische school in Amersfoort. Mannen die niet veel zeggen, maar elkaar blind vertrouwen. Anneke en ik zaten vroeger samen bij de bridgeclub in het buurthuis. Geen beste vriendinnen misschien, maar wel echt vertrouwd.
Na de begrafenis werd het stil rond Henk. Eerst kwamen er nog kaartjes. Een schaal lasagne van de buren. Een neef uit Zwolle die één keer langskwam. Daarna niets meer. Zijn dochter woont in Groningen en belt onregelmatig. Zijn zoon heeft hij al jaren nauwelijks contact mee. En Henk zelf? Die trok de gordijnen dicht en nam de telefoon niet op.
Dus haalden wij hem op.
Eerst voor de zondagavond. Stamppot, een toetje, kop koffie na. Toen ook op woensdag. Daarna eigenlijk elke dag. Het ging vanzelf, of zo leek het. Arie regelde zijn post als er weer een blauwe envelop op tafel bleef liggen. Ik maakte extra aardappels, extra jus, extra alles. Met kerst zat hij bij ons. Met Pasen ook. Op warme avonden dronk hij een biertje in onze tuin en keek hij zwijgend naar de hortensia’s, alsof daar ergens Anneke nog zat.
Ik had medelijden. Echt. Soms zag ik hem met zijn servet frommelen en dan zei hij ineens: ‘Anneke deed altijd nootmuskaat door de sperziebonen.’ Dan brak mijn hart.
Maar twee jaar is lang.
Heel lang.
Lang genoeg om te merken dat je eigen huis niet meer helemaal van jezelf voelt. Dat je om kwart over vijf al denkt: straks komt Henk. Dat je een keer chagrijnig bent of gewoon geen zin hebt om te koken, maar toch die pan op zet omdat hij anders weer een boterham met oude kaas eet. Dat je man jou nog amper aankijkt aan tafel, omdat alle gesprekken gaan over Henk zijn sombere buien, Henk zijn huisarts, Henk zijn kapotte cv-ketel, Henk zijn herinneringen.
Ik zei het eerst zacht tegen Arie in bed.
‘Vind jij dit nog normaal?’
Hij draaide zich om. ‘Wat is normaal na zoiets?’
‘Hij moet toch ook weer iets van een eigen leven opbouwen?’
Arie zuchtte. ‘Je praat alsof hij een project is.’
Dat deed pijn, want zo voelde het niet. Of nou ja… soms wel, en juist dát vond ik verschrikkelijk aan mezelf.
Ik ben dingen gaan voorstellen. Dat Henk misschien weer zou gaan kaarten in het buurthuis. Of koffie drinken in het wijkcentrum. Of een praatgroep voor weduwnaars, ja vreselijk woord, maar goed. Hij knikte dan alleen en zei: ‘Misschien.’ Daarna gebeurde er niks.
Als ik er later op terugkwam, zei hij: ‘Bij jullie is het gewoon goed. Waarom moet alles anders?’
Waarom? Omdat ik me soms een slechte vrouw voelde als ik dacht: blijf vanavond alsjeblieft thuis. Omdat ik mijn eigen kleindochter een keer afzei omdat Henk “ook al op ons rekende”. Omdat ik op mijn eigen bank zat alsof ik op bezoek was in mijn eigen leven. Dat dus.
Vorige maand liep het uit de hand. Ik had de hele dag in het ziekenhuis gezeten met mijn zus in Utrecht. Niks levensbedreigends, maar wel gedoe. File terug, hoofdpijn, kapot. Ik kwam thuis en daar zat Henk al aan de keukentafel. Arie had hem een sleutel gegeven voor ‘noodgevallen’. Dat wist ik niet eens.
Ik legde mijn tas neer en zei: ‘Wat doe jij hier?’
Henk keek op alsof ík vreemd deed. ‘Arie zei dat ik alvast binnen kon. Ik heb koffie gezet.’
De sleutelhanger van ons huis lag naast zijn mok. Ik kan niet uitleggen waarom, maar ik voelde pure paniek. Alsof er een laatste deur open was gezet zonder dat iemand het aan mij had gevraagd.
Die avond kregen Arie en ik voor het eerst echt ruzie.
‘Hij is geen indringer, Marjan.’
‘Zo voelt het wel!’
‘Omdat jij geen geduld meer hebt.’
‘Nee, omdat niemand hier nog ziet wat dit met mij doet!’
Arie sloeg met vlakke hand op het aanrecht. Niet hard, maar hard genoeg. ‘Dus we laten hem vallen?’
Dat woord. Vallen. Alsof er maar twee smaken bestonden: jezelf wegcijferen of iemand laten verzuipen.
Ik heb er een week mee rondgelopen. Toen zei ik aan tafel, heel rustig, dat ik wilde minderen. Niet stoppen. Gewoon terug naar twee vaste avonden per week. En de rest moest Henk zelf invullen, met onze hulp als het nodig was.
Hij legde zijn vork neer.
‘Dus jullie zijn me zat.’
‘Nee,’ zei ik. ‘Ik ben moe. Dat is iets anders.’
‘Voor jou misschien.’
Arie keek me aan alsof hij me niet herkende. Henk trok zijn jas aan met trillende handen. Bij de deur zei hij: ‘Anneke zei altijd dat echte vrienden blijven. Ook als het lastig wordt.’
Die zin is sindsdien in huis blijven hangen als kou die niet wegtrekt.
Arie praat twee dagen nauwelijks met me. Henk is niet meer langs geweest. Gisteren zag ik hem bij de supermarkt. Hij keek dwars door me heen. En toch, hoe rot ik me ook voel, diep vanbinnen weet ik dat ik dit niet nog jaren kon volhouden.
Ben ik hard geworden, of heb ik eindelijk gezegd wat allang waar was?
Wanneer is zorgen nog liefde, en wanneer word je er langzaam door opgeslokt?