Ze zei dat onze vriendschap niets waard was als we niet drie dagen per week bij haar kwamen wonen
‘Dus jullie laten ons gewoon vallen?’
Anja zei het niet eens hard. Juist dat zachte, vlakke maakte het erger. Ze stond bij mijn aanrecht alsof ze hier thuishoorde, haar handen om een mok die al lang leeg was. Naast me schoof Kees ongemakkelijk met zijn stoel. Mijn man Henk keek naar de vloer. En ik dacht alleen maar: hoe zijn we hier in godsnaam beland?
Wij kennen Anja en Rob al sinds begin jaren tachtig. Vier jonge ouders in een nieuwbouwwijk in Amersfoort, veel te weinig geld, veel te veel dromen. We vierden oud en nieuw samen, gingen kamperen in Zeeland, pasten op elkaars kinderen, zaten nachten in het ziekenhuis toen Rob prostaatkanker kreeg en twee jaar later toen mijn zus overleed. Er waren weken dat ik Anja vaker sprak dan mijn eigen broer.
Dus nee, dit ging niet over zomaar kennissen. Dit waren onze mensen.
Of dat dacht ik tenminste.
Rob begon anderhalf jaar geleden te veranderen. Eerst van die kleine dingen. De autosleutels in de koelkast. Drie keer hetzelfde verhaal vertellen tijdens het eten. Boos worden omdat Anja zogenaamd zijn portemonnee had verstopt, terwijl die in zijn jaszak zat. We maakten er eerst nog grapjes over. ‘Worden we oud, jongen,’ zei Henk dan. Maar lachen werd al snel ongemakkelijk.
De diagnose kwam vorig najaar: beginnende dementie.
Sindsdien is Anja ingestort, al zal ze dat zelf nooit zo noemen. Ze is altijd zo’n vrouw geweest die doorbeukt. Regelaar. Vrijwilligerswerk, de administratie, mantelzorg voor haar moeder destijds, alles. Maar Rob dwaalt nu ’s nachts door het huis. Soms wil hij om zes uur ’s ochtends naar zijn oude werk in Utrecht. Soms herkent hij Henk wel en mij net niet. Laatst noemde hij me ineens Marga, zijn zus. Die is al twintig jaar dood. Ik kreeg er kippenvel van.
Toch waren we er. Boodschappen doen. Afspraken rijden. Even waken zodat Anja kon douchen of slapen. Dat voelde logisch. Menselijk. Vriendschap.
Tot die zondagmiddag.
Anja had appeltaart gehaald. Dat deed ze altijd als iets serieus was. Rob zat in de woonkamer naar een natuurprogramma te kijken en vroeg binnen tien minuten vier keer welke dag het was.
Toen zei Anja: ‘Ik red dit niet meer alleen. Ik heb nagedacht. Jullie zijn met pensioen, wij ook. Het zou mij enorm helpen als jullie drie dagen per week hier komen. Desnoods blijven slapen. Gewoon, tijdelijk. Tot er weer rust is.’
Ik dacht eerst dat ik haar verkeerd begreep.
‘Hier intrekken?’ vroeg ik.
‘Ja, wat is daar zo gek aan? We zijn toch als familie?’
Henk schraapte zijn keel. ‘Anja, we willen echt helpen, maar drie dagen per week is… dat is heel veel.’
Ze keek hem aan alsof hij haar een klap had gegeven. ‘Heel veel? Rob verliest zichzelf. Ik slaap amper. Ik kan niet eens een boodschap doen zonder stress. En jullie hebben het over camperroutes en fietsen in Drenthe.’
Dat laatste stak, omdat het waar was. We hadden plannen. Niet eens extravagant. Gewoon eindelijk leven zonder agenda van werk, zonder zorg voor ouders, zonder altijd moeten. We hadden een tweedehands camper gekocht. Ik had lijstjes gemaakt met stadjes in Frankrijk. Henk wilde leren fotograferen. Na veertig jaar werken voelde dat niet egoïstisch. Het voelde verdiend.
Maar toen zat Anja tegenover me, met wallen tot op haar wangen, en ineens leek elk plan kinderachtig.
We hebben het die avond er thuis over gehad. Aan de eettafel waar nog kruimels lagen van beschuit. Henk was stiller dan normaal.
‘Als we nu ja zeggen,’ zei hij uiteindelijk, ‘dan komen we er niet meer uit, Ria. Dat weet jij ook.’
Ik wist het. Dementie wordt niet lichter. Niet overzichtelijker. Tijdelijk bestaat bijna niet in zo’n situatie.
Maar nee zeggen tegen Anja voelde als verraad.
Een week later gingen we terug met een voorstel. Ik had folders meegenomen van de casemanager dementie, dagopvang, thuiszorg in de wijk. Henk had zelfs uitgezocht wat er via de Wmo mogelijk was.
Ik zei: ‘We laten jullie niet alleen. We kunnen vaste dagen afspreken voor boodschappen en koken. En we helpen met het regelen van professionele zorg. Dit hoeft niet alleen op jouw schouders te liggen.’
Anja werd eerst heel stil.
Toen schoof ze de folders van zich af alsof het vieze servetten waren.
‘Dus dit zijn we nu voor jullie? Een dossier?’
‘Nee, doe nou niet zo,’ zei ik. ‘We zoeken juist iets houdbaars.’
‘Houdbaar voor wie? Voor jullie.’
Rob keek op van zijn stoel. ‘Wat is er, An?’
Ze begon te huilen, maar boos. Dat kende ik nog niet van haar.
‘Jullie begrijpen het gewoon niet. Hij wil geen vreemde mensen in huis. Hij raakt al in paniek als er een nieuwe buurman aanbelt. Jullie zijn vertrouwd. Als jullie echt van ons hielden, dan deden jullie dit gewoon.’
Henk zei toen iets wat al weken in de lucht hing en waar ik bang voor was.
‘Vriendschap is geen onbetaalde zorginstelling.’
Ik wilde hem op dat moment bijna zelf trappen onder tafel. Niet omdat het niet waar was, maar omdat het zo hard klonk.
Anja stond op. Haar gezicht was vuurrood.
‘Ga dan maar. Geniet van je pensioen. Lekker met de camper weg. En als Rob straks in een instelling zit omdat ik omval, kunnen jullie jezelf vertellen dat je zo “houdbaar” bezig was.’
We zijn weggegaan zonder afscheid. Gewoon onze jassen aan, de deur dicht, en in de auto heb ik zo hard gehuild dat ik misselijk werd.
Sindsdien is het stil. Doodstil. Geen appjes. Geen woensdagavond-etentjes. Via via hoorde ik dat haar dochter uit Zwolle vaker komt en dat er nu toch thuiszorg over de vloer is. Ik weet niet of dat me oplucht of juist nog schuldiger maakt.
Soms ben ik boos. Omdat veertig jaar vriendschap ineens leek te worden teruggebracht tot één test die we niet mochten zakken. Soms denk ik weer aan Anja in die keuken, hoe moe ze was, hoe bang. Misschien vroeg ze niet om redelijkheid. Misschien vroeg ze gewoon om niet kopje-onder te gaan.
Maar waar ligt dan de grens? Hoeveel van je eigen leven moet je weggeven voordat je een goede vriend bent?
Ik weet het nog steeds niet. Zouden jullie zijn gebleven? Of hadden jullie, net als wij, toch gekozen om jezelf niet helemaal kwijt te raken?