Met pensioen en alleen: Waarom bellen mijn kinderen steeds minder?
‘Waarom bel je zo weinig, Lieke?’ Mijn stem trilt als ik het vraag, terwijl ik met mijn hand over het koude aanrechtblad strijk. Het is zaterdagochtend, de regen tikt tegen het raam en de stilte in huis is oorverdovend. Lieke zucht aan de andere kant van de lijn. ‘Mam, ik heb het gewoon druk. De kinderen, werk, alles…’
Ik knik, hoewel ze me niet kan zien. ‘Ik snap het, lieverd. Maar soms voelt het alsof ik je kwijtraak.’
Ze zwijgt. Ik hoor op de achtergrond het gegil van haar kinderen, mijn kleinkinderen, die ik nauwelijks nog zie. ‘Ik moet gaan, mam. We spreken snel weer.’
De verbinding verbreekt. Ik blijf achter met een leeg gevoel in mijn borstkas. Het huis is te groot sinds Kees, mijn man, drie jaar geleden overleed aan een hartaanval. We hadden altijd mensen over de vloer; vrienden, familie, buren die kwamen voor Kees’ grappen en mijn appeltaart. Nu hoor ik alleen nog het tikken van de klok.
Vroeger dacht ik dat als je alles gaf aan je kinderen – liefde, aandacht, kansen – ze vanzelf bij je zouden blijven. Maar Lieke en haar broer Bas hebben hun eigen levens opgebouwd in Utrecht en Groningen. Ze bellen steeds minder. Soms denk ik dat ze zich schuldig voelen als ze wél bellen.
Ik loop naar de woonkamer en kijk naar de foto’s op de schouw: Bas als kleine jongen met zijn eerste voetbalmedaille, Lieke in haar eindexamenjurk, Kees met zijn brede lach op onze trouwdag in 1978. Alles lijkt zo lang geleden.
‘Je moet meer onder de mensen komen, mam,’ zei Bas laatst toen hij eindelijk weer eens langskwam. Hij keek nauwelijks op van zijn telefoon terwijl hij het zei.
‘En hoe dan?’ vroeg ik. ‘Iedereen heeft zijn eigen leven. Mijn vriendinnen zijn óf verhuisd óf overleden.’
Hij haalde zijn schouders op. ‘Misschien een hobbyclub of vrijwilligerswerk?’
Ik probeerde het. Ik ging naar de breiclub in het buurthuis, maar voelde me een buitenstaander tussen vrouwen die elkaar al jaren kenden. Ik meldde me aan als vrijwilliger bij de bibliotheek, maar na twee maanden werd het project stopgezet wegens bezuinigingen.
Soms denk ik terug aan hoe het vroeger was. Kees en ik werkten hard – hij als directeur bij een bouwbedrijf, ik als lerares Nederlands op de middelbare school. We spaarden voor vakanties naar Zeeland en gaven onze kinderen alles wat ze nodig hadden: muzieklessen voor Lieke, voetbal voor Bas, bijles als ze het moeilijk hadden op school.
‘Je verwent ze te veel,’ zei mijn moeder altijd. ‘Ze moeten leren dat niet alles vanzelf komt.’
Maar ik wilde niet dat ze iets tekortkwamen zoals ik vroeger had gedaan.
Nu vraag ik me af of ze daardoor juist afstand hebben genomen. Hebben we ze te veel beschermd? Hebben we ze geleerd dat hun ouders er altijd wel zouden zijn – tot op het punt dat ze ons nu als vanzelfsprekend beschouwen?
De dagen rijgen zich aaneen. Ik sta op, maak koffie voor één persoon, lees de krant van voor naar achter en kijk naar buiten hoe de seizoenen veranderen. Soms ga ik naar de markt op vrijdag, gewoon om mensen te horen praten.
Op een dag besluit ik Lieke onverwachts te bezoeken in Utrecht. Ik neem de trein – iets wat ik al jaren niet heb gedaan – en koop bloemen bij het station.
Als ik aanbellen, doet mijn schoonzoon Jeroen open. Hij kijkt verbaasd.
‘Marijke! Wat leuk… eh… Lieke is net met de kinderen naar zwemles.’
Ik voel me meteen bezwaard. ‘Oh… misschien had ik moeten bellen.’
Hij lacht ongemakkelijk. ‘Kom binnen, hoor.’
We drinken koffie aan hun keukentafel. Het huis is rommelig; speelgoed overal, een stapel was op de trap.
‘Het is druk hè?’ zeg ik voorzichtig.
Jeroen knikt. ‘Ja… Lieke werkt nu vier dagen per week. Het is soms lastig om alles te combineren.’
Als Lieke thuiskomt met natte haren en twee jengelende kinderen, zie ik aan haar gezicht dat mijn komst haar overvalt.
‘Mam! Wat doe je hier?’
‘Ik wilde je verrassen…’
Ze zucht diep en kijkt naar Jeroen.
‘We zouden straks naar een kinderfeestje gaan,’ zegt ze zachtjes.
Ik voel me plotseling een indringer in hun leven. Ik geef haar de bloemen en vertrek na een half uur weer richting station.
In de trein huil ik zachtjes. Niet om wat er gebeurd is, maar om wat er niet meer is: die vanzelfsprekende band tussen moeder en dochter.
Thuis wacht alleen de stilte weer op mij.
Een week later belt Bas onverwachts.
‘Mam? Gaat het wel goed met je?’
‘Waarom vraag je dat?’
‘Lieke zei dat je zomaar langs was gekomen en nogal verdrietig leek.’
Ik slik. ‘Ik mis jullie gewoon.’
Hij zwijgt even. ‘Het spijt me mam… Ik weet dat we weinig tijd hebben. Maar het is niet omdat we niet om je geven.’
‘Dat weet ik,’ zeg ik zachtjes. ‘Maar soms voelt het alsof jullie me vergeten zijn.’
We praten nog even over koetjes en kalfjes voordat hij ophangt.
Die nacht lig ik wakker en denk aan vroeger: hoe Bas als kleine jongen altijd bij mij in bed kroop na een nachtmerrie; hoe Lieke urenlang met mij kon praten over haar liefdesverdriet; hoe Kees en ik samen lachten om hun streken.
Waar is die tijd gebleven? Hebben we ergens onderweg elkaar verloren?
De volgende dag besluit ik een brief te schrijven aan Lieke en Bas – geen e-mail of appje, maar een echte brief met pen en papier.
‘Lieve kinderen,
Ik weet dat jullie druk zijn met jullie eigen levens en gezinnen. Maar soms voel ik me zo alleen dat het pijn doet. Ik mis jullie stemmen, jullie verhalen, zelfs jullie ruzies aan tafel. Misschien heb ik fouten gemaakt als moeder – misschien heb ik te veel gegeven of te weinig losgelaten. Maar één ding weet ik zeker: ik hou van jullie, nu meer dan ooit.’
Ik stop de brieven in de bus en voel me lichter dan in maanden.
Een week later staat Lieke ineens voor mijn deur met haar kinderen.
‘Mam… die brief…’ Ze huilt terwijl ze me omhelst.
Ook Bas komt dat weekend langs met zijn vriendin Sanne. We eten samen stamppot zoals vroeger en praten tot laat in de avond over alles wat ons bezighoudt.
Het contact wordt niet ineens zoals vroeger – daarvoor zijn we allemaal veranderd – maar er is weer ruimte voor elkaar.
Toch blijft er iets knagen: waarom moest het zo ver komen voordat we elkaar echt hoorden?
Soms kijk ik uit het raam naar de lege straat en vraag ik mezelf af: hoeveel ouders zitten er net als ik te wachten op een telefoontje dat misschien nooit komt? Wat kunnen we doen om elkaar niet kwijt te raken in deze drukke wereld?