Beslissen om te scheiden… Mijn verhaal uit een Amsterdams portiekflat
‘Wil je nou echt weer zo beginnen, Marieke?’ Bastiaan’s stem galmt door de kleine keuken, terwijl ik met trillende handen de korstjes van Daan’s boterham snijd. Mijn zoon kijkt op, zijn grote blauwe ogen schieten heen en weer tussen ons. ‘Laat maar, Bas,’ fluister ik, maar hij hoort het niet – of wil het niet horen. ‘Je doet altijd alsof ík de boeman ben!’
Ik voel mijn hart bonzen in mijn keel. Het is half acht ’s ochtends, regen tikt tegen het raam van onze flat in Amsterdam-West. De geur van koffie mengt zich met die van natte jassen en afwasmiddel. Daan schuift zijn bord weg. ‘Ik hoef niet meer.’
‘Eet nou gewoon op,’ zegt Bastiaan, zonder hem aan te kijken. Ik zie hoe Daan’s schouders zakken. Mijn maag draait om. Hoe zijn we hier beland? We waren ooit verliefd, jong, vol plannen. Nu voelt elke dag als overleven.
Die ochtend is niet anders dan andere ochtenden, en toch is alles anders. Terwijl Bastiaan de deur uit stormt – ‘Ik ben laat!’, roept hij nog – blijf ik achter met Daan. Hij kijkt me aan met die blik die alles zegt: “Waarom zijn jullie altijd boos?”
‘Kom, lieverd,’ zeg ik zacht. ‘We moeten opschieten.’
Op de fiets naar school voel ik de regen op mijn gezicht prikken. Daan zegt niets. Ik wil hem vragen hoe het gaat, maar de woorden blijven steken. Wat moet ik zeggen? Dat mama niet meer weet hoe ze gelukkig moet zijn?
Als ik hem afzet bij het schoolplein, blijft hij even staan. ‘Mama?’
‘Ja?’
‘Komt papa vanavond thuis?’
Ik slik. ‘Dat weet ik niet, schat.’
Hij knikt en loopt weg, zijn rugzak te groot voor zijn smalle schouders.
Thuis is het stil. De flat voelt koud en leeg, ondanks de stapels speelgoed en de geur van versgebakken brood die nog in de lucht hangt. Ik zet een kop thee en staar uit het raam naar de grijze lucht boven de stad.
Mijn telefoon trilt. Een appje van mijn zus, Anouk: “Hoe gaat het? Kom je zaterdag eten?”
Ik typ: “Weet niet. Druk.” Maar eigenlijk wil ik schreeuwen: “Help me! Ik weet niet meer hoe ik verder moet!”
Die middag, als Daan bij een vriendje speelt, zit ik op het randje van het bed. Bastiaan komt thuis, jas nog aan, gezicht strak.
‘We moeten praten,’ zeg ik.
Hij zucht diep. ‘Nu weer? Kunnen we niet gewoon…’
‘Nee,’ onderbreek ik hem. Mijn stem klinkt vreemd vastberaden. ‘Ik kan zo niet verder.’
Hij kijkt me aan alsof hij me voor het eerst ziet. ‘Wat bedoel je?’
‘Ik wil scheiden.’
Het blijft even stil. Buiten hoor ik een tram voorbijrijden.
‘Je meent het niet,’ zegt hij uiteindelijk. Zijn stem breekt.
‘Ik meen het wel.’
Hij draait zich om, loopt naar het raam en staart naar buiten. ‘En Daan dan? Denk je daar wel aan?’
Mijn hart breekt in duizend stukjes. ‘Elke dag.’
De dagen daarna zijn een waas van gesprekken – met Bastiaan, met Anouk, met mijn moeder die alleen maar kan huilen aan de telefoon: ‘Marieke, kind, weet je het zeker? Je was altijd zo’n vechter.’
Maar ik ben moe van vechten tegen iets wat allang kapot is.
Bastiaan slaapt op de bank. We praten nauwelijks nog. Daan merkt alles op; hij vraagt steeds vaker of hij bij vriendjes mag spelen.
Op een avond zit ik met Anouk aan haar keukentafel in Haarlem. Ze schenkt wijn in.
‘Je hoeft je niet schuldig te voelen,’ zegt ze zacht.
‘Maar Daan…’
‘Daan heeft meer aan een moeder die zichzelf blijft dan aan een moeder die zichzelf verliest.’
Ik huil voor het eerst in weken. Niet om Bastiaan, niet om de scheiding – maar om mezelf. Om alles wat ik had willen zijn en niet ben geworden.
De weken worden maanden. De flat voelt steeds leger; Bastiaan zoekt een kamer in Slotervaart. Daan slaapt soms bij hem, soms bij mij. Hij wordt stiller, trekt zich terug in zijn Lego-wereld.
Op een dag vind ik een tekening op zijn bureau: drie poppetjes, ver uit elkaar getekend. In het midden staat hij zelf.
‘Vind je het moeilijk?’ vraag ik voorzichtig als hij thuiskomt.
Hij knikt zonder woorden.
‘Wil je erover praten?’
Hij haalt zijn schouders op.
Die nacht lig ik wakker en luister naar de stadsgeluiden buiten: een ambulance in de verte, dronken stemmen op straat, regen tegen het raam. Ik voel me leeg en vol tegelijk – leeg van alles wat voorbij is, vol angst voor wat komen gaat.
Op een zaterdagmiddag neem ik Daan mee naar het Vondelpark. We zitten samen op een bankje; hij eet een ijsje.
‘Mama?’
‘Ja?’
‘Ben je nu verdrietig omdat papa weg is?’
Ik denk na voordat ik antwoord geef.
‘Soms wel,’ zeg ik eerlijk. ‘Maar soms ook opgelucht.’
Hij kijkt me aan met die serieuze blik die hij van mij heeft geërfd.
‘Ik ook,’ zegt hij zacht.
We zitten samen in stilte, kijken naar spelende kinderen en honden die achter ballen aanrennen.
Langzaam begint er iets te veranderen in mij. Ik merk dat ik weer kan lachen om kleine dingen: een grapje van Daan, een onverwacht zonnetje na dagen regen, een kop koffie met Anouk op een druk terras.
Bastiaan en ik praten nu vooral over Daan – over school, over wie hem wanneer ophaalt. De scherpe randjes verdwijnen langzaam uit onze gesprekken.
Toch blijft er verdriet hangen; om wat had kunnen zijn, om dromen die zijn vervlogen tussen de muren van onze flat.
Op een avond zit ik alleen op de bank, kijkend naar oude foto’s: Bastiaan en ik op Texel, jong en verliefd; Daan als baby in mijn armen; verjaardagen vol vrienden en familie die nu allemaal weten dat wij uit elkaar zijn.
Was dit onvermijdelijk? Had ik harder moeten vechten? Of is loslaten soms juist het moedigste wat je kunt doen?
Ik weet het niet zeker. Maar één ding weet ik wel: soms moet je jezelf opnieuw uitvinden om je kind te laten zien dat geluk mogelijk is – ook als alles anders loopt dan je had gehoopt.
Hebben jullie ooit zo’n keuze moeten maken? Hoe vind je de kracht om door te gaan als alles uit elkaar lijkt te vallen?