Wanneer liefde alles op het spel zet: Mijn verhaal over Anne en mij

‘Jeroen, wat doe je nou? Je weet toch dat dit niet kan!’ De stem van mijn moeder galmt nog steeds na in mijn hoofd, zelfs nu – maanden nadat ik haar voor het laatst heb gesproken. Ik sta in de keuken van mijn kleine appartement in Utrecht, mijn handen trillend om de rand van het aanrecht. Buiten regent het zachtjes, de druppels tikken als een metronoom tegen het raam.

Ik weet nog precies hoe het begon. Het was een druilerige vrijdagmiddag in november, ik was net klaar met college en besloot om nog even naar de bibliotheek te gaan. Daar zat ze: Anne. Haar rode haar viel als een waterval over haar schouders, haar ogen verdiept in een boek over filosofie. Ik had haar al vaker gezien, maar nooit durfde ik iets te zeggen. Tot die dag.

‘Is dat boek goed?’ vroeg ik, mijn stem zachter dan ik had gewild.

Ze keek op, glimlachte verlegen. ‘Het is zwaar, maar mooi. Wil je het lenen als ik klaar ben?’

Dat was het begin. We raakten aan de praat over alles: boeken, muziek, politiek, dromen. Anne kwam uit een streng gereformeerd gezin uit Staphorst; ik groeide op in een seculier gezin in Amersfoort waar alles mocht en niets hoefde. Onze werelden konden niet verder uit elkaar liggen.

De eerste maanden waren magisch. We fietsten samen door de stad, aten friet op het Neude en lachten om de stomste dingen. Maar zodra ik haar ouders ontmoette, veranderde alles.

‘Jeroen, wat doe jij voor werk?’ vroeg haar vader, zijn blik streng.

‘Ik studeer sociologie aan de universiteit,’ antwoordde ik.

Hij snoof minachtend. ‘En wat ga je daar later mee doen? Mensen leren praten over hun gevoelens?’

Anne kneep zachtjes in mijn hand onder tafel. Haar moeder schonk thee in zonder mij aan te kijken.

Na dat bezoek werd Anne stiller. Ze vertelde me dat haar ouders haar verboden hadden om mij nog te zien. ‘Ze denken dat jij me van mijn geloof afhaalt,’ fluisterde ze op een avond terwijl we samen op mijn balkon zaten.

‘Maar dat is niet zo! Ik wil alleen maar dat je gelukkig bent,’ zei ik wanhopig.

‘Dat weet ik… Maar zij zien dat anders.’

We probeerden het stiekem vol te houden. We spraken af in parken, stuurden elkaar lange berichten en droomden over samenwonen in Amsterdam of misschien zelfs het buitenland. Maar de druk werd steeds groter.

Mijn eigen ouders waren ook niet blij. Mijn moeder vond Anne ‘te gesloten’, mijn vader zei dat ik ‘mijn toekomst niet moest laten bepalen door iemand die niet eens naar een concert durft te gaan’. Thuis werd er nauwelijks nog gepraat; elke maaltijd voelde als een toneelstuk waarin iedereen zijn rol speelde maar niemand echt zichzelf was.

Op een avond barstte de bom.

‘Jeroen, waarom doe je jezelf dit aan?’ riep mijn moeder terwijl ze met haar hand op tafel sloeg. ‘Je verdient iemand die bij ons past!’

‘Maar mam, ik hou van haar! Waarom kunnen jullie dat niet accepteren?’

‘Omdat liefde niet genoeg is als je uit zulke verschillende werelden komt,’ zei ze zachtjes.

Anne en ik voelden ons steeds meer gevangen tussen twee vuren. Haar ouders dreigden haar uit huis te zetten als ze bij mij bleef; mijn ouders dreigden me financieel te laten vallen als ik met haar verderging. We waren jong, idealistisch – maar ook bang.

Op een dag stond Anne huilend voor mijn deur.

‘Ze hebben mijn spullen gepakt… Ik moet kiezen: of jij, of mijn familie.’

We huilden samen op de vloer van mijn woonkamer. Ik wilde haar vasthouden en nooit meer loslaten, maar ik voelde ook de angst knagen: wat als we dit niet aankunnen?

De weken daarna werden we steeds ongelukkiger. Anne miste haar broertjes en zusjes, haar moeder die altijd warme melk maakte voor het slapengaan. Ik miste de vanzelfsprekendheid van thuis, het gevoel dat alles goed zou komen zolang je maar liefhad.

Op een avond zaten we zwijgend naast elkaar op bed.

‘Misschien… misschien moeten we elkaar loslaten,’ fluisterde Anne.

‘Nee…’ stamelde ik. Maar diep vanbinnen wist ik dat ze gelijk had.

We spraken af elkaar nog één keer te zien in het park waar we onze eerste kus deelden. Het regende weer zachtjes; alles leek terug bij af.

‘Ik zal altijd van je houden,’ zei ze terwijl ze haar hand op mijn wang legde.

‘Ik ook van jou,’ antwoordde ik schor.

Toen liep ze weg, haar rode haar nat van de regen, haar rug recht maar haar schouders trillend van verdriet.

Nu zit ik hier, maanden later, alleen in mijn appartement. Soms droom ik nog van haar; soms vraag ik me af of we sterker hadden moeten zijn, of liefde echt alles kan overwinnen.

Misschien is dat wel de vraag die ons allemaal bezighoudt: hoeveel ben je bereid op te geven voor liefde? En als je alles opgeeft – wat blijft er dan nog van jezelf over?