Van Straat tot Hoop: Hoe ik uit de as van mijn leven opstond

‘Waarom kom je hier weer aanzetten, Marieke? Je weet dat je niet welkom bent!’ De stem van mijn moeder snijdt door de koude novemberlucht als een mes. Ik sta trillend op de stoep, mijn handen diep in de zakken van mijn versleten jas. ‘Mam, alsjeblieft… ik heb nergens anders om naartoe te gaan.’ Mijn stem klinkt schor, bijna onherkenbaar. Achter haar zie ik mijn jongere broer, Daan, met zijn armen over elkaar. Zijn blik is hard, onverschillig. ‘Je hebt je kans gehad,’ zegt hij. ‘We zijn er klaar mee.’

Die avond slaap ik in het portiek van een flat in Utrecht, mijn rug tegen het ijskoude beton. De regen tikt ritmisch op het afdak boven me. Ik voel me leeg, verraden, maar vooral schaam ik me. Hoe ben ik hier beland? Een jaar geleden had ik nog een baan bij de bibliotheek, een klein appartementje en af en toe een etentje met vrienden. Maar toen verloor ik mijn werk door bezuinigingen, en met de huurachterstand kwam de huisuitzetting. Mijn vrienden haakten één voor één af. Mijn familie… tja, die hadden hun eigen problemen. Mijn moeder kon mijn verdriet niet aan, mijn broer vond me een last.

De eerste weken op straat zijn een waas van kou, honger en angst. Ik leer snel: waar je gratis koffie krijgt, waar je veilig kunt slapen, hoe je je spullen beschermt tegen diefstal. In de nachtopvang ontmoet ik mensen zoals ik: Henk, die zijn vrouw verloor aan kanker en daarna zijn huis; Fatima, gevlucht uit Syrië, nu zonder papieren; en Janneke, die haar baan kwijtraakte na een burn-out. We delen verhalen, brood en soms een traan. ‘We zijn allemaal maar één ongeluk verwijderd van de straat,’ zegt Henk op een avond. Ik knik. Het is waar. Niemand kiest hiervoor.

Toch voel ik me elke dag meer onzichtbaar. Mensen kijken weg als ik op een bankje zit, alsof ik lucht ben. Soms hoor ik kinderen fluisteren: ‘Mama, waarom ziet die mevrouw er zo vies uit?’ Hun moeders trekken ze snel mee. Ik schaam me, maar ik word ook boos. Waarom zijn we zo hard voor elkaar?

Op een dag, als ik in de bibliotheek schuil voor de regen, hoor ik een vrouw praten over een buurtinitiatief: ‘Iedereen verdient een tweede kans. We zoeken vrijwilligers om soep te maken voor mensen zonder huis.’ Iets in mij veert op. Ik meld me aan, ondanks mijn angst dat ze me zullen afwijzen. Maar tot mijn verbazing word ik met open armen ontvangen. ‘Iedereen kan iets bijdragen,’ zegt de coördinator, Els. ‘Jij weet als geen ander wat nodig is.’

Langzaam krijg ik weer vertrouwen. Ik help met koken, organiseer kledinginzamelingen, luister naar verhalen. Ik merk dat ik niet alleen mezelf, maar ook anderen hoop geef. Op een dag vraagt Els: ‘Marieke, wil jij een praatje houden over jouw ervaringen?’ Mijn hart bonkt in mijn keel, maar ik doe het. Ik vertel over de schaamte, de eenzaamheid, maar ook over de kracht van samen zijn. Na afloop komen mensen naar me toe. ‘Dankjewel voor je openheid,’ zegt een vrouw. ‘Mijn broer is ook dakloos geweest. Ik begrijp hem nu beter.’

Met het beetje spaargeld dat ik verdien, huur ik een kamer in een woongroep. Het is klein, maar het is van mij. Voor het eerst in maanden slaap ik in een echt bed. Ik huil van opluchting. Mijn moeder belt me na maanden stilte. ‘Het spijt me, Marieke,’ zegt ze zacht. ‘Ik wist niet hoe ik je moest helpen.’ Ik voel de woede en het verdriet in me opborrelen, maar ik weet ook dat ik haar nodig heb. ‘Misschien kunnen we het samen proberen,’ fluister ik.

De band met mijn familie blijft broos, maar er is hoop. Daan komt langs met een zak boodschappen. ‘Sorry dat ik zo hard was,’ mompelt hij. We drinken samen koffie. Het is ongemakkelijk, maar het begin is er.

Inmiddels leid ik mijn eigen initiatief: ‘Nieuwe Hoop’. We organiseren maaltijden, bieden een luisterend oor en helpen mensen weer op weg. Soms komen er mensen binnen die net als ik alles zijn kwijtgeraakt. Ik herken de blik in hun ogen. ‘Je bent niet alleen,’ zeg ik dan. ‘We bouwen samen aan een nieuwe toekomst.’

Toch blijft het moeilijk. De bureaucratie is onverbiddelijk. Soms sta ik uren in de wacht bij de gemeente voor iemand die dringend hulp nodig heeft. Vaak bots ik op onbegrip. ‘Waarom zou je deze mensen helpen?’ vraagt een ambtenaar eens. Ik kijk hem recht aan. ‘Omdat iedereen een tweede kans verdient. Omdat het morgen ook jouw dochter, broer of moeder kan zijn.’

Soms droom ik nog van die eerste nacht op straat, de kou die in mijn botten kroop. Maar nu weet ik: ik ben sterker dan ik dacht. Ik heb geleerd dat waardigheid niet afhangt van waar je slaapt, maar van hoe je met anderen omgaat. En dat we samen meer kunnen dan alleen.

Nu, als ik ’s avonds naar huis fiets door de stad, zie ik de lichten in de huizen en vraag ik me af: hoeveel mensen zitten daarbinnen met hun eigen verdriet, hun eigen strijd? En wie reikt hen de hand? Misschien ben ik niet alleen opgestaan uit de as, maar heb ik ook een vonk aangestoken bij anderen. Wat zou jij doen als je alles verloor? Zou jij de moed vinden om opnieuw te beginnen?