Tussen Schaamte en Vrijheid: Mijn Leven na het Verraad

‘Hoe kon je dit doen, Jeroen?’ Mijn stem trilde, maar ik probeerde niet te breken. De regen tikte onophoudelijk tegen het raam van ons appartement in Utrecht. Jeroen keek weg, zijn handen verstopt in de zakken van zijn spijkerbroek. ‘Marieke, het was een vergissing. Het betekende niets.’

Een vergissing. Alsof je per ongeluk iemand kust, alsof je per ongeluk maandenlang berichten stuurt naar een andere vrouw. Ik voelde mijn hart bonzen in mijn keel, mijn ademhaling snel en oppervlakkig. Mijn hele lichaam trilde van woede en verdriet. ‘En ik dan? Betekende ik dan ook niets?’

Hij zweeg. In dat moment wist ik dat alles anders zou zijn vanaf nu. Ik draaide me om, liep naar de slaapkamer en sloot de deur achter me. Mijn hoofd tolde van de gedachten. Hoe vertel je je ouders dat je huwelijk een leugen is? Hoe vertel je het aan je zusje, Anne, die altijd tegen mij opkeek?

De volgende ochtend zat ik aan de keukentafel, mijn handen om een kop lauwe koffie geklemd. Mijn moeder belde. ‘Marieke, wanneer komen jullie zondag eten? Je vader heeft zin in jouw appeltaart.’ Haar stem klonk opgewekt, onwetend van de storm die door mijn leven raasde.

‘Mam…’ Mijn stem brak. ‘Er is iets gebeurd met Jeroen en mij.’

Ze viel stil. ‘Wat bedoel je?’

‘Hij heeft iemand anders.’

Het bleef even stil aan de andere kant van de lijn. Toen hoorde ik haar zuchten. ‘Ach meisje… Maar een huwelijk is niet altijd makkelijk. Je moet vechten voor wat je hebt. Denk aan de familie, aan de traditie.’

Ik voelde hoe de muren op me af kwamen. ‘Maar mam, ik ben zo ongelukkig…’

‘Geluk is niet alles, Marieke. Je hebt beloofd bij hem te blijven, in goede én slechte tijden.’

Die woorden bleven dagenlang in mijn hoofd rondspoken. Op mijn werk bij de bibliotheek kon ik me nauwelijks concentreren. Klanten vroegen naar boeken over liefde en vergeving, en elke titel voelde als een steek in mijn hart.

Anne kwam langs op donderdagavond. Ze bracht stroopwafels mee en haar favoriete thee. ‘Wat ga je doen?’ vroeg ze zacht terwijl ze tegenover me zat aan de keukentafel.

‘Ik weet het niet,’ fluisterde ik. ‘Mam wil dat ik blijf. Maar ik voel me zo alleen.’

Anne pakte mijn hand vast. ‘Je hoeft niet te blijven omdat anderen dat willen. Wat wil jij?’

Die vraag bleef nog lang na haar vertrek hangen in mijn hoofd. Wat wilde ík eigenlijk? Ik had altijd gedaan wat er van me verwacht werd: netjes gestudeerd, een goede baan gevonden, getrouwd met een man die iedereen aardig vond.

Die nacht lag ik wakker naast Jeroen, die zich zo klein mogelijk maakte aan zijn kant van het bed. Ik hoorde zijn ademhaling, zwaar en onrustig. Ik wilde schreeuwen, hem slaan, maar vooral wilde ik verdwijnen.

De dagen werden weken. Mijn moeder bleef bellen met adviezen: ‘Ga samen praten met de dominee’, ‘Misschien moet je hem vergeven’, ‘Denk aan je toekomst’. Mijn vader zei niets, maar keek me aan met die teleurstelling die ik zo goed kende uit mijn jeugd.

Op een avond kwam Jeroen thuis met bloemen. ‘Kunnen we opnieuw beginnen?’ vroeg hij zacht.

Ik keek naar de bloemen, wit en geurloos, en voelde niets. Geen woede meer, geen verdriet – alleen leegte.

‘Ik weet het niet,’ zei ik eerlijk.

We gingen naar relatietherapie. De therapeute heette Saskia en had een zachte stem die alles minder pijnlijk leek te maken. Maar elke sessie voelde als toneelspelen. Jeroen sprak over spijt, over fouten goedmaken, maar ik hoorde alleen het bloed suizen in mijn oren.

Na drie maanden therapie zat ik op een bankje langs de Oudegracht, kijkend naar de lichtjes die weerspiegeld werden in het water. Anne belde.

‘Hoe gaat het?’ vroeg ze.

‘Ik voel me gevangen,’ zei ik zacht.

‘Dan moet je jezelf bevrijden.’

Maar hoe? Mijn familie zou me nooit steunen als ik wegging. Mijn moeder zou zeggen dat ik egoïstisch was, dat ik alles opgaf voor een bevlieging.

Op een dag vond ik een briefje op tafel: “Ik slaap bij Bas vannacht.” Jeroen had niet eens meer de moeite genomen om te liegen over waar hij was.

Die nacht pakte ik mijn koffer. Ik stopte er alleen het hoognodige in: wat kleren, mijn dagboek, een foto van Anne en mij als kinderen op het strand van Scheveningen.

Ik belde Anne. ‘Mag ik bij jou logeren?’

Ze zei geen woord, maar kwam me halen met haar oude fiets. Samen fietsten we door de lege straten van Utrecht, de stad die ineens zo vreemd voelde.

Bij Anne thuis huilde ik voor het eerst echt sinds alles uitkwam. Ze hield me vast tot ik in slaap viel op haar bank.

De volgende ochtend belde mijn moeder weer.

‘Waar ben je?’ vroeg ze bezorgd.

‘Bij Anne.’

‘Kom naar huis, Marieke. Dit hoort niet zo.’

‘Mam… Ik kan niet meer terug.’

Ze begon te huilen aan de andere kant van de lijn. ‘Je maakt alles kapot.’

Misschien was dat zo. Misschien maakte ik alles kapot wat zij belangrijk vond – maar voor het eerst voelde het alsof ik iets voor mezelf deed.

De weken daarna waren zwaar. Mijn vader sprak niet meer met me. Op familiefeestjes werd er gefluisterd als ik binnenkwam; tantes keken weg, ooms maakten flauwe grappen over “moderne vrouwen”. Alleen Anne bleef naast me staan.

Langzaam begon ik mezelf terug te vinden. Ik ging vaker wandelen langs de Vecht, las boeken die niets met vergeving te maken hadden maar alles met vrijheid en zelfliefde.

Jeroen stuurde soms berichten: “Kunnen we praten?” “Ik mis je.” Maar ik wist nu dat teruggaan geen optie was – niet zolang ik mezelf daarvoor moest opofferen.

Op een dag stond mijn moeder ineens voor de deur van Anne’s appartement.

‘Mag ik binnenkomen?’ vroeg ze schor.

We zaten samen aan tafel, net als vroeger thuis.

‘Waarom doe je dit jezelf aan?’ vroeg ze zacht.

‘Omdat ik niet meer kan leven voor anderen,’ antwoordde ik eerlijk.

Ze keek me lang aan, tranen in haar ogen.

‘Ik ben bang dat je ongelukkig wordt.’

‘Dat was ik al, mam.’

Ze pakte mijn hand vast – voor het eerst sinds maanden voelde haar aanraking weer als vroeger: warm en vertrouwd.

Het is nu bijna een jaar geleden sinds die avond waarop alles veranderde. Ik woon nog steeds bij Anne, maar binnenkort krijg ik een eigen appartementje aan de rand van Utrecht. Mijn ouders komen langzaam weer dichterbij; soms belt mijn moeder om te vragen hoe het gaat en zelfs mijn vader knikt weer als hij me ziet.

Soms vraag ik me af of geluk echt bestaat – of dat het gewoon betekent dat je durft te kiezen voor jezelf, ondanks alles wat anderen daarvan vinden.

Hebben we het recht om ons eigen pad te kiezen – zelfs als dat betekent dat we anderen teleurstellen? Of is vrijheid altijd een beetje pijnlijk?