Toen ik hem weer zag op de reünie, voelde ik me weer zeventien
‘Waarom ben ik hier eigenlijk?’ vroeg ik mezelf, terwijl ik mijn jas ophing in de hal van het buurthuis in Amersfoort. Mijn handen trilden lichtjes, niet van de kou, maar van een onbestemde spanning. ‘Kom op, Marleen, het is maar een reünie. Iedereen is ouder, grijzer, dikker. Niemand verwacht iets.’ Toch voelde ik mijn hart sneller kloppen toen ik de deur naar de zaal openduwde.
‘Marleen! Wat leuk dat je er bent!’ riep Saskia, haar stem nog net zo schel als vroeger. Ze sloeg haar armen om me heen, haar parfum doordringend en vertrouwd. Om ons heen klonken lachsalvo’s, het getinkel van glazen, en de muziek van Doe Maar op de achtergrond. Ik keek rond, zag gezichten die ik vaag herkende, maar die door de jaren waren getekend. Rimpels, kale plekken, leesbrillen. ‘Wat doen we hier eigenlijk?’ fluisterde ik tegen Saskia, die grijnsde. ‘Oude koeien uit de sloot halen, natuurlijk!’
Ik lachte, maar voelde me ontheemd. Mijn blik gleed over de groep, bleef hangen bij een man bij het raam. Zijn rug naar me toe, maar iets aan zijn houding, de manier waarop hij zijn handen in zijn zakken stak…
‘Marleen, weet je nog van die keer dat je met Erik in de vijver viel?’ lachte Peter, die naast me kwam staan. ‘Je moeder was woest!’
‘Ja, dat weet ik nog,’ zei ik, mijn stem zachter. Erik. Mijn hart sloeg een slag over. Alsof hij mijn gedachten kon horen, draaide de man bij het raam zich om. Onze blikken kruisten elkaar. In één klap was ik weer zeventien, met knikkende knieën en vlinders in mijn buik. Zijn ogen, nog steeds diezelfde warme bruine kleur, lachten naar me.
‘Marleen,’ zei hij, zijn stem lager dan ik me herinnerde, maar onmiskenbaar. ‘Wat leuk je te zien.’
Ik slikte. ‘Erik…’
We stonden even stil, de rest van de zaal vervaagde. ‘Hoe gaat het met je?’ vroeg hij, zijn hoofd een beetje schuin.
‘Goed, denk ik. En met jou?’
‘Ook goed. Twee kinderen, gescheiden, weer terug in Amersfoort. En jij?’
‘Getrouwd. Nog steeds. Met Bart. Twee dochters. Maar…’
Hij glimlachte flauwtjes. ‘Maar?’
Ik haalde mijn schouders op. ‘Het leven loopt zoals het loopt, hè?’
We lachten ongemakkelijk. De spanning tussen ons was tastbaar. Ik voelde Saskia’s blik in mijn rug prikken, hoorde gefluister aan de andere kant van de zaal. ‘Ze staan weer samen, hoor je dat?’
‘Wil je even naar buiten?’ vroeg Erik plotseling. Ik knikte, alsof ik geen keuze had. Buiten was het koud, de lucht zwaar van de regen die op komst was. We liepen zwijgend naar het bankje onder de oude kastanjeboom, waar we vroeger uren zaten te dromen over de toekomst.
‘Weet je nog, die avond na het eindexamenfeest?’ vroeg hij zacht.
Ik knikte. ‘Je gaf me een roos. En toen…’
‘Toen heb ik je gekust. Mijn allereerste kus.’
We lachten, maar het deed pijn. ‘Waarom zijn we elkaar eigenlijk kwijtgeraakt?’ vroeg ik.
Hij zuchtte. ‘Ik moest naar Groningen, jij bleef hier. We schreven brieven, maar het leven kwam ertussen. Mijn vader werd ziek, ik moest terug. Jij kreeg verkering met Bart.’
‘En jij met Anouk.’
‘Ja. Maar ik heb altijd aan je gedacht, Marleen. Altijd.’
Ik voelde tranen prikken achter mijn ogen. ‘Ik ook aan jou. Soms vraag ik me af hoe het was gelopen als…’
‘Als we samen waren gebleven?’
Ik knikte. ‘Maar nu… Het is te laat, toch?’
Hij keek me lang aan. ‘Is het ooit te laat?’
We zwegen. De regen begon zachtjes te tikken op het bladerdak. ‘Ik ben niet gelukkig, Erik,’ fluisterde ik. ‘Bart en ik… we leven langs elkaar heen. De kinderen zijn bijna het huis uit. Soms voelt het alsof ik mezelf kwijt ben.’
Hij legde zijn hand op de mijne. ‘Je bent jezelf niet kwijt. Je bent gewoon vergeten wie je was.’
Ik keek naar onze handen. ‘En jij?’
‘Ik heb veel fouten gemaakt. Mijn huwelijk… Ik was er niet genoeg. Te veel gewerkt, te weinig geluisterd. Nu ben ik alleen. Maar ik heb geleerd dat het leven niet altijd loopt zoals je wilt. Soms krijg je een tweede kans.’
We zaten lang stil. Toen klonk er geroep vanuit de zaal. ‘Marleen! Kom je nog? Ze gaan de groepsfoto maken!’
Ik stond op, aarzelde. ‘Wat nu?’
Erik glimlachte. ‘We zien wel. Misschien moeten we gewoon weer vrienden zijn. Of misschien…’
‘Misschien wat?’
‘Misschien is dit het begin van iets nieuws. Of het einde van iets ouds. Maar ik wil je niet nog eens kwijt.’
Die avond reed ik naar huis met een hoofd vol vragen. Bart zat op de bank, voetbal op tv. ‘Hoe was het?’ vroeg hij zonder op te kijken.
‘Leuk,’ zei ik. ‘Heel leuk.’
Ik keek naar hem, naar de man met wie ik mijn leven had gedeeld. Maar ik voelde me leeg. De dagen daarna dacht ik steeds aan Erik. Aan zijn lach, zijn hand op de mijne, de belofte van iets wat misschien nooit meer zou zijn.
Een week later kreeg ik een berichtje. ‘Koffie doen?’
Ik twijfelde. Wat als ik alles op het spel zette? Mijn gezin, mijn reputatie, mijn zekerheid? Maar wat als ik deze kans liet lopen en voor altijd bleef afvragen: wat als?
Ik sprak met Erik af in een klein café aan de Eem. We praatten uren, over vroeger, over nu, over dromen die we hadden laten varen. Hij keek me aan, zijn ogen vol hoop en verdriet tegelijk. ‘Marleen, ik wil niet nog eens veertig jaar wachten. Wat wil jij?’
Thuis vertelde ik Bart over Erik. Over mijn twijfels, mijn verlangen naar iets wat ik kwijt was. Hij werd boos, schreeuwde, gooide een glas kapot. ‘Dus je wilt alles weggooien voor een jeugdliefde?’
‘Ik weet het niet,’ huilde ik. ‘Ik weet het echt niet.’
De weken daarna waren een hel. De kinderen merkten de spanning, vroegen wat er aan de hand was. Ik loog, zei dat het werk was. Maar elke nacht lag ik wakker, luisterend naar Barts ademhaling, denkend aan Erik.
Op een dag stond ik op het station, klaar om Erik weer te zien. Mijn hart bonsde in mijn borst. ‘Wat als ik alles verlies?’ vroeg ik mezelf. ‘Wat als ik eindelijk mezelf terugvind?’
Erik stond daar, zijn armen open. ‘Wat je ook kiest, ik ben er voor je.’
En nu, maanden later, weet ik nog steeds niet zeker of ik de juiste keuze heb gemaakt. Maar ik weet wel dat ik weer voel, weer leef. Soms vraag ik me af: hoeveel kansen krijgt een mens in één leven? En durf jij ze te grijpen als ze voorbijkomen?