Op mijn 68ste alleen: Mijn smeekbede aan mijn kinderen en het pijnlijke zwijgen
‘Mam, we hebben het erover gehad. Het is gewoon… niet handig nu.’
De stem van mijn dochter Marieke trilt een beetje door de telefoon. Ik hoor haar aarzeling, haar schuldgevoel misschien, maar vooral haar vastberadenheid. Ik probeer mijn ademhaling onder controle te houden terwijl ik uit het raam staar, naar de grijze lucht boven de stad. De regen tikt zachtjes tegen het glas van mijn flat op de negende verdieping.
‘Niet handig?’ herhaal ik, mijn stem klinkt schor. ‘Ik ben je moeder, Marieke. Ik vraag niet om veel. Alleen… een beetje gezelschap. Een beetje warmte.’
Aan de andere kant van de lijn blijft het even stil. Dan hoor ik het zachte gehuil van mijn kleindochter Noor op de achtergrond. Marieke zucht. ‘Mam, het spijt me echt. Het huis is te klein, de kinderen zijn druk, en Bas werkt nu ook veel thuis. Het zou gewoon niet werken.’
Ik wil iets zeggen, iets snijdends misschien, maar ik slik het in. In plaats daarvan laat ik de stilte tussen ons groeien, tot Marieke zich haastig verontschuldigt en ophangt.
Ik blijf achter met het monotone geluid van de regen en het gezoem van de koelkast. Mijn handen trillen een beetje als ik mijn kopje thee oppak. De kamer voelt ineens kouder aan dan voorheen.
Het is niet de eerste keer dat ik dit gesprek voer. Mijn zoon Jeroen was nog botter geweest vorige week: ‘Mam, je hebt toch je eigen plek? Waarom zou je dat opgeven? Je bent nog gezond, toch?’
Gezond. Ja, lichamelijk misschien wel. Maar niemand ziet hoe leeg het voelt als je elke ochtend wakker wordt in een stil huis, waar niemand je begroet. Waar je ontbijt maakt voor één persoon en de stoelen aan tafel leeg blijven.
Vroeger was alles anders. Ons huis in Schiedam was altijd vol geluid: rennende kinderen, ruzies om wie er aan tafel mocht zitten, het gelach van Bas en Jeroen als ze stiekem koekjes pakten uit de trommel. Ik was altijd bezig: wassen draaien, boterhammen smeren, verjaardagen organiseren. Nu lijkt het alsof dat allemaal in een ander leven gebeurde.
Sinds mijn man Henk drie jaar geleden overleed aan een hartaanval, is het huis alleen maar stiller geworden. Eerst dacht ik dat het wel zou wennen, dat ik mijn draai wel zou vinden. Maar hoe langer ik alleen ben, hoe meer ik besef dat stilte geen vriend is, maar een vijand die langzaam alles opslokt.
Soms ga ik naar buiten, loop ik door de drukke straten van Rotterdam. Zoveel mensen, zoveel gezichten – maar niemand die mij aankijkt of groet. In de supermarkt voel ik me onzichtbaar tussen de jonge moeders met hun kinderen en de studenten die haastig hun boodschappen doen.
Vorige week probeerde ik nog een praatje te maken met mijn buurvrouw, mevrouw De Vries. Ze is ook alleenstaand, maar haar kinderen komen elke zondag langs voor koffie en appeltaart. ‘Ach Els,’ zei ze, ‘je moet gewoon wat meer onder de mensen komen! Ga bij een clubje, of doe vrijwilligerswerk.’
Maar waar begin je als je 68 bent en alles nieuw lijkt? De drempel om ergens binnen te stappen is hoog als je niemand kent.
De avonden zijn het ergst. Dan zit ik in mijn stoel bij het raam, kijkend naar de lichten van de stad beneden me. Soms denk ik aan vroeger: hoe Henk en ik samen televisie keken, zijn hand warm in de mijne. Nu is er alleen nog het geluid van de klok die tikt.
Afgelopen zondag heb ik weer geprobeerd met Jeroen te praten. Hij kwam langs met zijn vrouw Linda en hun zoontje Bram. Bram rende meteen naar mijn oude speelgoedkist en Linda begon te vertellen over haar werk als verpleegkundige.
‘Jeroen,’ begon ik voorzichtig toen Bram even weg was, ‘ik voel me zo alleen hier. Zou het niet mogelijk zijn… misschien tijdelijk… dat ik bij jullie intrek?’
Jeroen keek me aan met die blik die hij vroeger ook had als hij iets niet wilde horen. ‘Mam, we hebben echt geen ruimte. Bram heeft zijn eigen kamer nodig en Linda werkt onregelmatig. Bovendien…’ Hij aarzelde even. ‘We willen ook ons eigen leven leiden.’
Dat deed pijn. Alsof mijn aanwezigheid hun leven zou verstoren – alsof ik een last was geworden.
Na hun bezoek bleef ik lang zitten met een kop koffie die koud werd in mijn handen. Ik dacht aan alle keren dat ik voor hen klaarstond: toen Jeroen zijn been brak op schoolkamp, toen Marieke haar hart gebroken had na haar eerste liefde. Ik was er altijd.
Waarom voelt het dan nu alsof niemand er voor mij is?
De volgende dag probeerde ik mezelf moed in te spreken. Ik schreef me in voor een cursus schilderen bij het buurthuis – iets wat Henk altijd al wilde doen maar nooit durfde. De eerste les was spannend; ik voelde me ongemakkelijk tussen de andere vrouwen die elkaar al leken te kennen.
‘Welkom Els,’ zei de docent vriendelijk. ‘Wat wil je schilderen?’
‘Misschien… een familieportret,’ antwoordde ik zachtjes.
De andere vrouwen glimlachten begripvol, maar niemand vroeg verder.
’s Avonds belde Marieke onverwacht op. ‘Mam? Alles goed? Je klonk gisteren zo verdrietig.’
Ik wilde zeggen dat alles goed was, maar er kwam alleen een snik uit mijn keel.
‘Mam…’ Marieke zweeg even. ‘Het spijt me echt dat we je niet kunnen laten intrekken. Maar misschien kunnen we vaker bellen? Of samen iets leuks doen in het weekend?’
Ik knikte, hoewel ze dat niet kon zien.
‘Dat zou fijn zijn,’ fluisterde ik.
Na het gesprek bleef ik lang nadenken over wat ze zei. Misschien moet ik accepteren dat dingen veranderen – dat kinderen hun eigen leven hebben en dat ouder worden betekent dat je soms opnieuw moet leren leven met jezelf.
Toch blijft er een leegte die niet gevuld wordt door telefoontjes of schilderlessen.
Soms vraag ik me af: heb ik gefaald als moeder? Had ik meer moeten loslaten? Of juist meer moeten vragen?
De volgende ochtend kijk ik uit over de stad die langzaam ontwaakt onder een vale zon. Ik neem een besluit: vandaag ga ik naar het park om te wandelen – misschien kom ik iemand tegen om mee te praten.
Maar diep vanbinnen blijft de vraag knagen: waarom voelt familie soms zo ver weg als je ze het hardst nodig hebt?
Misschien herkennen anderen zich hierin – hoe gaan jullie om met ouder worden en eenzaamheid? Wat zouden jullie doen als je kinderen je niet in huis willen nemen?