Niet zoals in de film, maar echt: Mijn leven tussen twee huizen
‘Dus je blijft hier gewoon zitten, Milena? Alsof er niets gebeurd is?’ De stem van mijn moeder snijdt door de stilte van de keuken, waar het licht van de ochtend zich voorzichtig over het aanrecht verspreidt. Ik staar naar mijn handen, die trillen boven de kop koffie. ‘Wat wil je dat ik doe, mam? Hem achterna reizen naar Groningen? Smeken dat hij terugkomt?’ Mijn stem klinkt schor, alsof ik al dagen niet heb gesproken.
‘Je moet aan jezelf denken, kind. Maar het hele dorp praat. Je weet hoe mensen zijn hier.’ Ze zucht, haar ogen vol medelijden en iets wat op schaamte lijkt. Ik voel het branden op mijn wangen. Sinds Mark me heeft verlaten, is het alsof ik niet meer besta – of juist te veel besta, als een vlek op het witte laken van het dorp. Iedereen weet alles, of denkt dat te weten. ‘Ze zeggen dat je hem hebt weggejaagd,’ fluistert mijn moeder, haar blik afgewend.
Ik wil schreeuwen. Ik wil haar vertellen over de avonden dat Mark niet thuiskwam, over de stilte tussen ons, over de kille blikken en de woorden die nooit werden uitgesproken. Maar ik zeg niets. In plaats daarvan knik ik, alsof ik het verdien.
Buiten hoor ik de fiets van buurvrouw Jannie piepen over het grind. Ze zal straks aanbellen, zogenaamd voor een kopje suiker, maar eigenlijk om te kijken of ik nog steeds in mijn oude joggingbroek loop. Ik voel de paniek opkomen, het verlangen om te verdwijnen. Maar ik blijf zitten.
‘Je moet weer onder de mensen komen,’ zegt mijn moeder. ‘Ga naar de markt, ga naar de kerk. Laat zien dat je niet gebroken bent.’
Maar ik bén gebroken. Elke ochtend als ik wakker word, voel ik het gewicht van de leegte naast me in bed. Ik mis Mark niet, niet echt – ik mis het idee van samen zijn, van iemand hebben die je hand vasthoudt als het stormt. Maar het is niet de storm die me bang maakt, het is de stilte erna.
De dagen rijgen zich aaneen. Ik probeer te werken in de tuin, maar de aarde voelt koud en onwillig. Mijn zus, Anouk, belt soms. ‘Je moet niet zo piekeren, Milena. Er zijn ergere dingen. Kom een keer naar Assen, we gaan uit eten.’ Maar ik weet dat ze me wil laten zien aan haar vriendinnen, als een soort waarschuwing: kijk, zo kun je eindigen als je niet oppast.
Op een avond, als de regen tegen de ramen slaat, belt Mark. Zijn naam licht op op mijn telefoon als een oude wond. ‘Milena, ik wil even praten.’ Zijn stem klinkt vermoeid, ouder. ‘Ik kom morgen mijn spullen halen.’
‘Prima,’ zeg ik. Mijn hart bonkt in mijn keel. ‘Wil je koffie?’
Hij lacht kort. ‘Nee, dat hoeft niet. Ik wil het gewoon netjes afsluiten.’
De volgende dag sta ik uren voor de spiegel. Ik probeer mijn haar te fatsoeneren, trek een nette trui aan. Als Mark binnenkomt, ruikt hij naar regen en aftershave. Hij kijkt me niet aan terwijl hij zijn boeken en wat kleren inpakt. ‘Het spijt me, Milena,’ zegt hij uiteindelijk. ‘Ik kon het niet meer. Jij ook niet, denk ik.’
Ik wil hem slaan, hem omhelzen, hem uitschelden. Maar ik knik alleen. ‘Nee, ik ook niet.’
Als hij weg is, ga ik op de bank zitten. De stilte is oorverdovend. Ik huil niet. Ik voel me leeg, alsof alles wat ik was, met hem is vertrokken.
De weken daarna word ik een schim. Ik doe boodschappen in Emmen, ontwijk bekenden, glimlach gemaakt naar de caissière. ‘Gaat het goed met u, mevrouw?’ vraagt ze. ‘Prima,’ lieg ik.
Op een dag, als ik de was ophang in de tuin, komt buurvrouw Jannie naar me toe. ‘Milena, ik hoorde van Mark. Wat erg voor je, meid. Maar weet je, het leven gaat door. Mijn Jan was ook niet makkelijk, maar je moet door.’
Ik wil haar wegsturen, maar haar ogen zijn oprecht. ‘Dank je, Jannie,’ zeg ik zacht.
’s Avonds zit ik aan de keukentafel, kijkend naar de foto’s van vroeger. Mijn ouders op hun trouwdag, Anouk als baby, ik als meisje met vlechten. Waar is dat meisje gebleven? Wanneer ben ik veranderd in iemand die bang is voor haar eigen schaduw?
Langzaam begin ik kleine dingen te doen. Ik meld me aan voor een cursus schilderen in het dorpshuis. De eerste keer dat ik binnenstap, voel ik alle ogen op me gericht. Maar de lerares, mevrouw Van Dijk, glimlacht warm. ‘Welkom, Milena. Fijn dat je er bent.’
De eerste penseelstreek voelt als een bevrijding. Ik schilder bloemen, landschappen, soms alleen kleuren. Het maakt niet uit wat het wordt. Het gaat om het doen.
Na de les drink ik koffie met een paar andere vrouwen. Ze praten over hun kinderen, hun mannen, hun zorgen. Ik luister, lach af en toe, voel me langzaam weer mens worden.
Op een dag komt mijn moeder langs. Ze kijkt naar mijn schilderijen, haar mondhoeken trillen. ‘Je vader zou trots op je zijn geweest, Milena.’
Ik slik. ‘Denk je?’
Ze knikt. ‘Je bent sterker dan je denkt. Je hoeft je niet te schamen.’
Voor het eerst in maanden voel ik iets van hoop. Misschien is het niet zoals in de film, waar alles goedkomt en de heldin een nieuwe liefde vindt. Misschien is het gewoon dit: elke dag opstaan, iets nieuws proberen, jezelf toestaan om te falen en weer op te staan.
Op een avond, als de zon ondergaat en de lucht boven de velden oranje kleurt, loop ik naar buiten. Ik adem diep in, voel de wind op mijn gezicht. Ik ben alleen, maar niet verloren.
‘Is dit het dan?’ fluister ik in de stilte. ‘Of is dit juist het begin van iets nieuws?’
Wat denken jullie? Wanneer begint een nieuw leven eigenlijk? En hoe vind je de moed om weer op te staan, als alles verloren lijkt?