Mijn leven was niet van mij: Marloes’ strijd tussen angst en vrijheid
‘Marloes, waar is je pinpas?’
Zijn stem sneed door de stilte van onze kleine woonkamer in Utrecht. Ik stond nog met mijn jas aan, mijn handen trilden lichtjes terwijl ik mijn tas doorzocht. ‘Die heb jij toch? Je zei gisteren dat je boodschappen ging doen.’
‘Nee, jij had hem vanochtend nog. Je weet dat ik het niet fijn vind als je dingen kwijtraakt.’
Ik voelde hoe mijn wangen warm werden. ‘Sorry, ik zoek hem straks wel even.’
Hij zuchtte en draaide zich om, zijn rug gespannen. ‘Zorg gewoon dat je het vindt. Je weet wat er gebeurt als je weer zo slordig bent.’
Die woorden – je weet wat er gebeurt – galmden na in mijn hoofd. Ik wist precies wat hij bedoelde. Geen schreeuwen, geen klappen, maar die ijzige stilte die dagen kon duren. Het gevoel dat ik niet bestond, dat ik lucht was in mijn eigen huis.
Vanaf het begin had ik gedacht dat dit normaal was. Dat liefde betekende dat je alles deelde, zelfs je geld. Op onze bruiloft in het stadhuis van Utrecht had ik vol overtuiging ‘ja’ gezegd tegen Sander. Mijn ouders, Jan en Els, hadden me gewaarschuwd: ‘Weet je het zeker, Marloes? Je kent hem pas een jaar.’ Maar ik was verliefd, verblind door zijn charme en de manier waarop hij me speciaal liet voelen.
De eerste maanden waren mooi. We fietsten samen langs de grachten, dronken koffie op het terras bij De Rechtbank, lachten om de regen die altijd leek te vallen als we geen paraplu bij ons hadden. Maar langzaam veranderde er iets. Sander begon te vragen waar ik was geweest, met wie ik had gepraat. Hij wilde weten hoeveel ik verdiende als verpleegkundige in het Diakonessenhuis en stelde voor om ‘alles op één hoop te gooien’. ‘Dat is toch normaal in een huwelijk?’ zei hij.
Ik stemde toe. Elke maand maakte ik mijn salaris over naar zijn rekening. Hij regelde de vaste lasten, de boodschappen, zelfs mijn ov-chipkaart. In het begin voelde het veilig – iemand die voor me zorgde. Maar naarmate de maanden verstreken, merkte ik dat ik steeds minder mocht beslissen. Als ik een nieuwe jas wilde kopen, moest ik het vragen. Als ik met vriendinnen wilde afspreken, moest ik uitleggen wie er zouden zijn.
‘Waarom moet je altijd met die Annemieke afspreken?’ vroeg hij op een avond terwijl hij een biertje opende.
‘Omdat ze mijn vriendin is,’ antwoordde ik zacht.
‘Ze praat te veel over vrijheid en feminisme. Je hebt genoeg aan mij.’
Ik lachte het weg, maar diep vanbinnen voelde ik iets knappen. Was dit echt liefde? Of was het iets anders?
De dagen werden weken, de weken maanden. Mijn wereld werd kleiner. Mijn ouders kwamen minder vaak langs – Sander vond ze te bemoeizuchtig. Mijn broer Tom appte soms: ‘Gaat het goed met je?’ Ik antwoordde altijd: ‘Ja hoor!’ Maar de waarheid was anders.
Op een avond zat ik alleen aan de keukentafel, een kop thee in mijn handen. Sander was naar zijn vrienden – zonder mij, zoals altijd. Ik staarde naar het lege scherm van mijn telefoon en dacht aan vroeger: hoe vrij ik me voelde op de middelbare school in Amersfoort, hoe ik droomde van reizen en avontuur. Waar was dat meisje gebleven?
Plotseling kreeg ik een appje van Annemieke: ‘Ik mis je. Gaat het echt goed?’
Ik wilde antwoorden: ‘Nee, het gaat niet goed.’ Maar ik durfde niet. Wat als Sander het zou zien?
De volgende dag op werk vroeg collega Fatima of alles oké was. ‘Je lijkt zo afwezig de laatste tijd.’
Ik haalde mijn schouders op. ‘Gewoon moe.’
Maar Fatima keek me doordringend aan. ‘Je mag altijd praten, hè? Echt.’
Die avond besloot ik een dagboek te beginnen. Ik schreef alles op: mijn angsten, mijn twijfels, hoe ik elke dag bang was om iets verkeerd te doen. Het voelde als een kleine daad van verzet – iets wat alleen van mij was.
Op een zondagmiddag kwam mijn moeder onverwacht langs. Sander was weg; hij had gezegd dat hij ‘even frisse lucht nodig had’. Mijn moeder keek me aan en zei: ‘Marloes, je bent zo veranderd. Waar is die vrolijke dochter van mij gebleven?’
Ik brak. De tranen stroomden over mijn wangen terwijl ik haar vertelde over het geld, de controle, de angst.
‘Je hoeft hier niet te blijven,’ zei ze zacht.
Maar zo makkelijk was het niet. Waar moest ik heen? Alles stond op zijn naam: het huis, de auto, zelfs mijn spaarrekening had hij overgenomen ‘voor later’.
De weken daarna leefde ik op automatische piloot. Op werk hield ik me groot; thuis probeerde ik onzichtbaar te zijn. Tot die ene avond.
Sander kwam thuis met een rood hoofd en rook naar bier. ‘Waarom heb je geld opgenomen van de gezamenlijke rekening?’ snauwde hij.
‘Ik had nieuwe schoenen nodig voor werk,’ stamelde ik.
‘Je liegt! Je hebt met iemand afgesproken!’
Hij gooide zijn jas op de grond en kwam dreigend dichterbij. Voor het eerst voelde ik echte paniek – niet alleen angst voor stilte, maar voor wat er zou kunnen gebeuren.
Die nacht sliep ik nauwelijks. Ik wist: dit kan zo niet langer.
De volgende ochtend belde ik Tom. Mijn handen trilden zo erg dat ik bijna niet kon typen.
‘Tom… kun je me ophalen? Ik kan hier niet meer blijven.’
Hij aarzelde geen seconde. ‘Ik ben er over een uur.’
Toen Sander naar zijn werk vertrok, pakte ik snel een tas met wat kleren en mijn dagboek. Mijn hart bonsde in mijn keel toen Tom voorreed in zijn oude Volvo.
‘Kom,’ zei hij zacht.
We reden zwijgend naar Amersfoort, naar het huis waar ik was opgegroeid. Mijn moeder stond al in de deuropening en sloot me huilend in haar armen.
De eerste dagen voelde alles onwerkelijk – alsof ik zweefde tussen twee werelden. Sander stuurde boze berichten: ‘Je bent ondankbaar! Je maakt alles kapot!’ Maar langzaam begon ik weer adem te halen.
Met hulp van Tom en Annemieke regelde ik een afspraak bij een maatschappelijk werker en een advocaat. Het bleek ingewikkeld om financieel los te komen – Sander had overal machtigingen voor getekend. Maar stapje voor stapje kreeg ik weer grip op mijn leven.
Op een dag zat ik met Annemieke op een bankje in het park.
‘Weet je nog hoe we vroeger droomden van reizen naar Italië?’ vroeg ze glimlachend.
Ik knikte en voelde voor het eerst sinds jaren hoop.
‘Misschien moet je nu eerst leren reizen in jezelf,’ zei ze zacht.
Nu, maanden later, woon ik in een klein appartementje in Utrecht-Oost. Het is niet veel – tweedehands meubels en een plantje op de vensterbank – maar het is van mij. Ik werk weer fulltime in het ziekenhuis en spaar elke maand een beetje voor mezelf.
Soms voel ik nog steeds angst als de deurbel gaat of als mijn telefoon trilt met een onbekend nummer. Maar steeds vaker voel ik ook trots – omdat ik ben weggegaan, omdat ik mezelf terugvind.
Was het liefde wat Sander mij gaf? Of was het alleen maar controle vermomd als zorgzaamheid? En hoeveel vrouwen zoals ik durven nooit hun stem te laten horen?
Misschien is vrijheid niet iets wat je krijgt – maar iets wat je stukje bij beetje verovert.