“Ik ben niet hongerig, alleen verdrietig” – Hoe mijn oma en ik vochten tegen het stigma op school

‘Waarom eet je niet, Bram?’ De stem van meester Van Dijk galmt nog steeds na in mijn hoofd, zelfs jaren later. Ik zat aan het einde van de lange, koude tafel in de kantine van basisschool De Regenboog in Amersfoort. Mijn handen trilden om het plastic bakje dat ik van huis had meegenomen – een boterham met oude kaas, zonder korstjes, want zo maakte oma ze altijd. Om me heen rook ik de geur van warme tomatensoep en kroketten, die de andere kinderen uit hun felgekleurde bakjes schepten. Mijn maag knorde, maar ik kon niets door mijn keel krijgen.

‘Ik heb gewoon geen honger, meester,’ loog ik zachtjes. Mijn stem was nauwelijks hoorbaar boven het geroezemoes. Ik voelde de ogen van mijn klasgenoten prikken. Ze wisten het allang: Bram krijgt geen warme lunch, want zijn ouders kunnen het niet betalen. En nu wist de meester het ook.

‘Je moet wel goed eten, hoor. Anders groei je niet,’ zei hij streng, terwijl hij zijn hand op mijn schouder legde. Ik kromp ineen. Achter me hoorde ik Tim fluisteren: ‘Bram is gewoon arm.’ Een paar kinderen lachten. Mijn wangen gloeiden van schaamte.

Die middag fietste ik met lood in mijn benen naar huis. De lucht was grijs, de wind sneed door mijn jas. Thuis wachtte oma me op in haar gebloemde schort, haar gezicht bezorgd. ‘Hoe was het op school, jongen?’ vroeg ze terwijl ze een kop thee inschonk.

Ik wilde liegen, zeggen dat alles goed was, maar de tranen prikten achter mijn ogen. ‘Ze hebben me uitgelachen omdat ik geen warme lunch had,’ snikte ik uiteindelijk. Oma trok me tegen zich aan en streek door mijn haar.

‘Schatje toch…’ fluisterde ze. ‘Dat is niet eerlijk. Niemand zou zich hoeven schamen voor iets waar hij niets aan kan doen.’

Die avond hoorde ik haar bellen met de school. Haar stem was vastberaden: ‘Het kan toch niet zo zijn dat kinderen worden buitengesloten omdat hun ouders minder geld hebben? Dit moet anders!’

De dagen daarna werd ik op school met rust gelaten, maar de blikken bleven. In de pauze zat ik alleen op het bankje bij het klimrek. Soms kwam Tim langs en riep: ‘Heb je vandaag wel geld voor je lunch?’ Ik probeerde hem te negeren, maar elke keer voelde het als een stomp in mijn maag.

Thuis probeerde oma het goed te maken. Ze bakte pannenkoeken en vertelde verhalen over vroeger, toen zij als kind ook vaak zonder nieuwe kleren naar school moest. ‘Maar weet je,’ zei ze dan, ‘het gaat erom wie je bent, niet wat je hebt.’

Toch voelde het niet zo. Op school leek alles om geld te draaien: wie de nieuwste schoenen had, wie op vakantie ging naar Spanje, wie elke dag een warme lunch kreeg. Ik hoorde er niet bij.

Op een dag kwam er een brief van school: er zou een ouderavond zijn over armoede en uitsluiting. Oma stond erop dat we samen gingen. In het lokaal zaten ouders met dure jassen en leren tassen naast moeders die hun jas niet eens uit durfden te doen omdat ze zich schaamden voor hun oude trui.

De directeur sprak over gelijke kansen en dat niemand zich buitengesloten mocht voelen. Maar toen een moeder vroeg waarom er dan nog steeds betaald moest worden voor de warme lunch, werd het stil.

Oma stond op. Haar stem trilde van woede én verdriet: ‘Mijn kleinzoon wordt elke dag herinnerd aan wat wij niet hebben. Is dat wat we willen voor onze kinderen?’

Na die avond veranderde er langzaam iets op school. Er kwam een fonds voor gezinnen die het moeilijk hadden. De warme lunch werd goedkoper – soms zelfs gratis voor wie het nodig had. Maar de blikken verdwenen niet meteen.

Op een dag vond ik een briefje in mijn jaszak: ‘Bram is arm.’ Mijn handen trilden toen ik het las. Ik wilde huilen, schreeuwen, verdwijnen.

Thuis liet ik het briefje aan oma zien. Ze keek me lang aan en zei toen: ‘Jij bent zoveel meer dan wat mensen denken of zeggen.’

Toch bleef de schaamte knagen. Ik werd stiller in de klas, trok me terug tijdens gym en durfde niemand meer uit te nodigen voor mijn verjaardag.

Pas jaren later, op de middelbare school, durfde ik voorzichtig te vertellen over vroeger. In een kringgesprek over armoede vertelde ik mijn verhaal. Tot mijn verbazing luisterden mijn klasgenoten aandachtig – sommigen vertelden zelfs dat ze hetzelfde hadden meegemaakt.

Langzaam leerde ik dat ik niet alleen was. Dat er meer kinderen waren zoals ik – kinderen die zich schaamden voor iets waar ze niets aan konden doen.

Nu ben ik volwassen en werk ik als maatschappelijk werker in Utrecht. Elke keer als ik een kind zie dat stilletjes zijn boterham eet terwijl anderen lachen met hun warme lunch, denk ik aan mezelf – en aan oma.

Soms vraag ik me af: waarom draait het nog steeds zo vaak om geld? Wanneer leren we eindelijk dat ieder kind erbij hoort, ongeacht wat er in zijn broodtrommel zit?

Wat denken jullie? Is het echt alleen geld dat telt op school – of kunnen we samen zorgen dat niemand zich meer hoeft te schamen?