“Ik ben met verlof, geen gratis oppas”: Mijn strijd tussen familie en grenzen

‘Waarom moet ík altijd alles doen?’ Mijn stem trilt, terwijl ik de fles op het aanrecht smijt. De melk spat tegen de tegels. Mijn baby, Lotte, huilt in haar wipstoeltje. Mijn man, Jeroen, staat met zijn telefoon in de hand in de deuropening.

‘Marieke, het is maar voor een paar uurtjes. Anne heeft niemand anders,’ zegt hij, zijn stem schijnbaar rustig, maar ik hoor de irritatie erdoorheen.

‘Ik ben met verlof, Jeroen. Dat betekent niet dat ik gratis oppas ben voor jouw familie!’ Mijn handen trillen. Ik voel de vermoeidheid tot in mijn botten. Lotte is vannacht weer drie keer wakker geworden. Mijn hoofd bonkt.

Jeroen zucht diep. ‘Je weet dat mijn zus het moeilijk heeft sinds haar scheiding. Kun je niet gewoon even helpen? Het is familie.’

Familie. Dat woord hangt als een zware jas om mijn schouders. Sinds Lotte er is, lijkt iedereen te denken dat ik ineens tijd over heb. Alsof moederschap geen fulltime baan is. Alsof ik niet elke dag vecht tegen de wanhoop van slapeloze nachten, lekkende borsten en het gevoel dat ik mezelf ergens onderweg ben kwijtgeraakt.

‘Ik kan niet meer, Jeroen,’ fluister ik. ‘Ik ben zo moe. Ik wil gewoon even rust.’

Hij kijkt me aan, zijn blik onleesbaar. ‘Ik snap het niet. Mijn moeder deed dit altijd zonder klagen.’

Die zin. Altijd weer die vergelijking met zijn moeder, met andere vrouwen die het zogenaamd allemaal moeiteloos deden. Ik voel de tranen prikken achter mijn ogen.

‘Misschien was jouw moeder ook wel eens moe,’ snauw ik. ‘Misschien heeft ze het je alleen nooit laten zien.’

Jeroen draait zich om en loopt weg, zijn telefoon alweer aan zijn oor. Ik hoor hem zachtjes zeggen: ‘Ja Anne, ze wil niet.’

Het schuldgevoel slaat meteen toe. Anne is aardig. Ze heeft het zwaar sinds haar man haar verliet voor een jongere vrouw. Haar dochtertje, Emma, is net zo oud als Lotte. Maar waarom moet ík altijd degene zijn die inschikt?

Ik loop naar Lotte en til haar op. Ze ruikt naar melk en babyzweet. Haar kleine handje grijpt mijn vinger vast. ‘Het spijt me, liefje,’ fluister ik. ‘Mama is gewoon zo moe.’

De rest van de dag hangt er een ijzige stilte in huis. Jeroen zegt weinig, eet zwijgend zijn avondeten en verdwijnt daarna naar boven om te werken. Ik zit alleen aan tafel met een koud kopje thee en de babyfoon naast me.

Mijn gedachten razen. Ben ik egoïstisch? Had ik gewoon moeten helpen? Maar wanneer is het genoeg? Wanneer mag ik ook eens nee zeggen?

De volgende ochtend staat Anne ineens voor de deur, Emma aan haar hand. Haar ogen zijn rood van het huilen.

‘Sorry dat ik zomaar kom,’ zegt ze zacht. ‘Jeroen zei dat je misschien toch kon oppassen…’

Ik voel woede opborrelen, maar ook medelijden. Anne ziet eruit alsof ze elk moment kan instorten.

‘Kom binnen,’ zeg ik uiteindelijk.

Terwijl de meisjes samen op het kleed spelen, zit Anne tegenover me aan tafel. Ze friemelt aan haar mouw.

‘Het spijt me echt, Marieke,’ zegt ze ineens. ‘Ik weet dat het veel gevraagd is. Maar ik weet gewoon niet meer hoe ik alles moet doen.’

Ik kijk haar aan en zie mezelf in haar ogen: uitgeput, onzeker, op het randje van instorten.

‘Weet je,’ zeg ik zacht, ‘soms voelt het alsof iedereen iets van me wil, maar niemand vraagt hoe het met míj gaat.’

Anne knikt langzaam. ‘Dat herken ik zo erg…’

We praten urenlang over alles wat zwaar is: slapeloze nachten, verwachtingen van familie, het gevoel tekort te schieten als moeder én als vrouw.

Als Anne weggaat, voel ik me lichter – maar ook bozer op Jeroen dan ooit.

Die avond barst de bom.

‘Waarom heb je Anne binnengelaten?’ vraagt Jeroen als hij thuiskomt.

‘Omdat ze hulp nodig had,’ zeg ik scherp. ‘Maar niet alleen van mij! Jij bent ook familie! Waarom moet ík altijd alles oplossen?’

Hij kijkt me aan alsof hij me voor het eerst ziet.

‘Ik… Ik dacht gewoon dat jij dat beter kon,’ stamelt hij.

‘Omdat ik vrouw ben? Omdat ik thuis ben? Omdat jouw moeder dat ook deed?’ Mijn stem breekt.

Jeroen zucht diep en laat zich op een stoel vallen.

‘Het spijt me, Marieke. Ik heb er nooit zo over nagedacht.’

We praten die avond lang – over verwachtingen, over grenzen stellen, over hoe moeilijk het is om hulp te vragen én te weigeren in een familie waar iedereen altijd klaar moet staan voor elkaar.

De dagen daarna verandert er langzaam iets in huis. Jeroen neemt vaker Lotte over zodat ik kan slapen of even naar buiten kan. Anne vraagt minder vaak om hulp – en als ze het doet, vraagt ze ook aan Jeroen of hij kan oppassen.

Maar het blijft moeilijk om nee te zeggen zonder schuldgevoel.

Op een dag belt mijn eigen moeder.

‘Marieke, kun je volgende week op je neefje passen? Je hebt toch verlof?’

Ik slik en voel de oude reflex om meteen ja te zeggen.

Maar deze keer zeg ik: ‘Sorry mam, dat lukt nu echt niet.’

Er valt een stilte aan de andere kant van de lijn.

‘Je verandert,’ zegt mijn moeder uiteindelijk.

‘Misschien wel,’ antwoord ik zacht.

’s Avonds lig ik naast Lotte in bed en kijk naar haar slapende gezichtje.

Wie ben ik nog, behalve moeder? Waar liggen mijn grenzen? En waarom voelt het zo verkeerd om eindelijk eens voor mezelf te kiezen?

Hebben andere moeders dit ook – dat eeuwige schuldgevoel? Of durven jullie wél nee te zeggen?