Ik at havermout zodat mijn zoon biefstuk kon eten: Een verhaal over trots, liefde en teleurstelling

‘Waarom eet jij altijd alleen maar havermout, pap?’ vroeg Daan, terwijl hij zijn vork in een sappige biefstuk prikte. Zijn stem klonk onschuldig, maar ik voelde het als een messteek. Ik keek naar mijn bord, de grijze pap die ik al jaren at, en glimlachte flauwtjes. ‘Omdat ik het lekker vind, jongen. Eet jij maar goed, je hebt het nodig voor school.’

In werkelijkheid kon ik me die biefstuk niet veroorloven. Niet sinds mijn vrouw, Marijke, overleed en ik alleen achterbleef met Daan, toen nog maar acht jaar oud. Mijn baan als postbode bracht niet veel op, maar ik deed alles om hem te geven wat ik zelf nooit had gehad. Nieuwe schoenen, een fiets, bijles wiskunde. Ik spaarde op alles: geen nieuwe jas voor mij, geen vakantie, geen uitjes met vrienden. Mijn geluk was zijn geluk, hield ik mezelf voor.

‘Pap, mag ik op voetbal?’ vroeg hij op een avond, zijn ogen groot en vol verwachting. Natuurlijk mocht dat. Ik werkte extra uren, liep kranten in de vroege ochtend, zodat hij zijn tenue en contributie kon betalen. Ik herinner me nog hoe hij scoorde in zijn eerste wedstrijd, zijn armen in de lucht, en hoe mijn hart bijna uit elkaar spatte van trots.

Maar naarmate hij ouder werd, veranderde er iets. Daan werd stiller, afstandelijker. Hij kwam laat thuis, at snel, verdween naar zijn kamer. ‘Is er iets, jongen?’ vroeg ik voorzichtig. ‘Nee, pap. Gewoon druk met school.’

Op een dag vond ik een brief van zijn school in de brievenbus. Hij was gezakt voor zijn examen. Mijn hart zonk in mijn schoenen. Toen hij thuiskwam, probeerde ik het voorzichtig te brengen. ‘Daan, ik heb een brief van school gekregen…’

‘Bemoei je er niet mee, pap!’ snauwde hij. ‘Het is mijn leven.’

Die woorden deden meer pijn dan ik ooit had kunnen denken. Ik had alles voor hem opgegeven, en nu leek het alsof hij me niet meer nodig had. Die avond at ik mijn havermout in stilte, terwijl hij boven op zijn kamer zat.

De jaren gingen voorbij. Daan vond een baan in de stad, kreeg een vriendin, verhuisde naar een appartement in Utrecht. Ik zag hem steeds minder. Soms belde hij, meestal kort. ‘Druk, pap. Misschien volgende maand een keer koffie doen.’

Op mijn verjaardag zat ik alleen aan de keukentafel, een kaarsje in mijn havermout gestoken. Ik dacht aan vroeger, aan de avonden dat we samen naar Studio Sport keken, aan zijn eerste rapport, aan de fietstochtjes door de polder. Waar was het misgegaan?

Toen ik hem eindelijk weer zag, was het op de begrafenis van mijn broer. Daan kwam laat binnen, in een duur pak, zijn vriendin aan zijn arm. Hij gaf me een vluchtige knuffel. ‘Sterkte, pap.’

Na de dienst probeerde ik met hem te praten. ‘Hoe gaat het met je, jongen? Heb je het naar je zin op je werk?’

Hij haalde zijn schouders op. ‘Het is oké. Druk, veel stress. Maar goed, dat hoort erbij.’

‘Kom je binnenkort weer eens langs? Ik heb je al zo lang niet gezien.’

Hij keek weg. ‘Ik weet niet of dat lukt, pap. Het is allemaal zo hectisch. Je weet hoe het gaat.’

Die avond zat ik weer alleen aan tafel. Ik dacht aan alle offers die ik had gebracht, aan alle keren dat ik mezelf iets had ontzegd zodat hij kon genieten. Was het het waard geweest? Had ik hem verwend, of juist tekortgedaan?

Op een dag werd ik ziek. Een longontsteking, zei de dokter. Ik moest rust houden, maar wie zou er voor mij zorgen? Daan had geen tijd. De buurvrouw bracht soms soep, maar verder was ik op mezelf aangewezen. In die lange, eenzame dagen dacht ik veel na. Over mijn leven, over Daan, over de keuzes die ik had gemaakt.

Toen hij eindelijk langskwam, was ik te zwak om op te staan. Hij keek ongemakkelijk rond in mijn kleine, rommelige huis. ‘Je had moeten bellen, pap. Dan had ik misschien iets kunnen regelen.’

‘Je bent er nu toch?’ zei ik zacht. ‘Dat is genoeg.’

We zaten samen aan tafel. Hij at een broodje kaas, ik mijn havermout. Het was stil. Toen keek hij me aan. ‘Pap, waarom heb je nooit iets voor jezelf gedaan? Waarom altijd alles voor mij?’

Ik haalde mijn schouders op. ‘Omdat ik wilde dat jij gelukkig zou zijn. Dat jij kansen kreeg die ik nooit heb gehad.’

Hij zuchtte. ‘Maar pap, ik had liever gehad dat je ook aan jezelf dacht. Ik voel me schuldig als ik zie hoe je leeft.’

Ik glimlachte flauwtjes. ‘Dat hoef je niet. Jij bent mijn zoon. Jouw geluk was altijd mijn geluk.’

Hij stond op, gaf me een onhandige knuffel. ‘Ik moet weer gaan, pap. Werk roept.’

Toen hij weg was, bleef ik achter met een leeg gevoel. Had ik gefaald als vader? Had ik hem te veel gegeven, of juist te weinig liefde getoond? Was mijn opoffering voor niets geweest?

Nu, op mijn oude dag, eet ik nog steeds havermout. Niet omdat ik het lekker vind, maar omdat het goedkoop is. Daan belt soms, stuurt een kaartje met kerst. Maar de afstand tussen ons lijkt groter dan ooit.

Soms vraag ik me af: had ik meer voor mezelf moeten kiezen? Had ik hem moeten leren dat liefde niet alleen zit in geven, maar ook in samen zijn, in delen? Of is dit gewoon het lot van vaders die alles opofferen voor hun kinderen?

Wat denken jullie? Is het verkeerd om jezelf op te offeren voor je kind, als je daardoor misschien de band verliest die je het meest dierbaar is?