Het hongerige buurmeisje – Mijn jeugd vol stilte, schaamte en verborgen hulp

‘Waarom eet Sanne altijd zo snel?’ vroeg ik zachtjes aan mijn moeder, terwijl ik haar vanuit het keukenraam gadesloeg. Ze zat op de stoep, haar knieën opgetrokken, haar blik strak gericht op de boterham die ze van mijn moeder had gekregen. ‘Omdat ze honger heeft, Lieke,’ antwoordde mijn moeder, haar stem dof. ‘Maar zeg daar maar niets over tegen anderen, goed?’

Ik knikte, maar begreep het niet helemaal. In onze straat in Amersfoort werd niet gepraat over armoede. Iedereen deed alsof alles normaal was. Maar Sanne was niet normaal. Ze droeg altijd dezelfde jas, zelfs in de zomer, en haar schoenen waren te klein. Soms zag ik haar moeder schreeuwen vanuit het raam, haar stem schril en wanhopig. De vader van Sanne was al jaren weg, zei men fluisterend bij de bakker.

Op een avond, toen de regen tegen de ramen sloeg en de wind huilde door de straat, hoorde ik gestommel bij de achterdeur. Mijn moeder stond op van tafel en gebaarde dat ik moest blijven zitten. Ik hoorde zachte stemmen in de gang. Toen ze terugkwam, had ze een plastic zak in haar hand. ‘Sanne’s moeder heeft geen geld meer voor brood,’ zei ze zachtjes tegen mijn vader. ‘Ik heb wat meegegeven.’

Mijn vader snoof. ‘We kunnen niet de hele buurt onderhouden, Els.’

‘Het is maar tijdelijk,’ fluisterde mijn moeder terug.

Die nacht lag ik wakker. Ik dacht aan Sanne in haar koude huis, met een lege maag. Ik voelde me schuldig omdat ik die middag nog had geklaagd over de korstjes op mijn boterham.

De volgende dag op school zat Sanne stilletjes naast me in de klas. Haar ogen waren rood van het huilen. Tijdens de pauze probeerde ik naast haar te zitten, maar ze schoof weg. ‘Laat me met rust,’ siste ze. Ik voelde me afgewezen, maar ergens begreep ik het ook. Niemand wilde gezien worden als arm.

Thuis vroeg ik aan mijn moeder: ‘Waarom helpt niemand anders Sanne?’

Ze zuchtte diep. ‘Mensen kijken liever weg, Lieke. Het is makkelijker om te doen alsof je niets ziet.’

De weken gingen voorbij en het werd kouder. Mijn moeder bakte extra pannenkoeken en stopte ze in een oude broodtrommel. ‘Breng deze maar even naar Sanne,’ zei ze op een avond.

Ik stond trillend voor hun deur. De geur van muffe lucht kwam me tegemoet toen Sanne’s moeder opendeed. Ze keek me aan met holle ogen en nam zwijgend de trommel aan. Sanne stond achter haar, haar gezicht bleek en smal.

‘Dank je wel,’ fluisterde ze bijna onhoorbaar.

Op straat voelde ik me opgelucht én beschaamd tegelijk. Waarom voelde het alsof ik iets verkeerds had gedaan door te helpen?

Op een dag hoorde ik mijn ouders ruzie maken in de keuken.

‘Je moet ermee stoppen, Els,’ zei mijn vader boos. ‘Straks krijgen we zelf problemen.’

‘En als het onze dochter was?’ riep mijn moeder terug. ‘Zou jij dan willen dat niemand iets deed?’

Ik kroop weg op de trap, bang voor hun stemmen en voor wat er zou gebeuren als mijn vader zijn zin kreeg.

Op school werd Sanne steeds stiller. Ze kwam vaker te laat en haar kleren werden steeds viezer. Op een ochtend zag ik blauwe plekken op haar arm. Ik wilde er iets van zeggen tegen de juf, maar durfde niet.

‘Mam,’ vroeg ik die avond voorzichtig, ‘denk je dat Sanne thuis geslagen wordt?’

Mijn moeder keek me lang aan. ‘Soms doen mensen dingen uit wanhoop die ze anders nooit zouden doen,’ zei ze zachtjes.

Ik voelde een brok in mijn keel en wist niet wat ik moest zeggen.

Toen kwam de dag dat Sanne niet meer naar school kwam. Haar stoel bleef leeg en niemand sprak erover. De juf zei alleen: ‘Sanne is ziek.’ Maar ik wist beter.

’s Avonds hoorde ik mijn ouders fluisteren in de keuken.

‘Jeugdzorg is langs geweest,’ zei mijn moeder met trillende stem.

‘Misschien is het beter zo,’ antwoordde mijn vader.

Ik rende naar boven en huilde in mijn kussen. Ik voelde me schuldig omdat ik nooit iets had gezegd, nooit echt had geholpen.

Jaren gingen voorbij. Ik werd ouder, verhuisde naar Utrecht om te studeren en probeerde het verleden achter me te laten. Maar soms, als ik langs een meisje liep met te grote schoenen of een lege blik in haar ogen, dacht ik aan Sanne.

Op een dag vond ik een oude foto tussen mijn spullen: Sanne en ik op de stoep, lachend met ijsjes in onze hand. Mijn hart kneep samen van verdriet en spijt.

Tijdens een familie-etentje bracht ik het onderwerp voorzichtig ter sprake.

‘Mam, denk je nog wel eens aan Sanne?’ vroeg ik zachtjes.

Mijn moeder knikte langzaam. ‘Elke dag,’ zei ze. ‘Ik vraag me nog steeds af of we meer hadden kunnen doen.’

Mijn vader keek weg en nam een slok wijn.

‘We hebben gedaan wat we konden,’ mompelde hij.

Maar was dat genoeg? Had ons zwijgen niet juist bijgedragen aan haar verdriet?

Nu ik zelf moeder ben, kijk ik anders naar die tijd terug. Ik begrijp de angst van mijn ouders, maar ook hun onmacht. Toch blijft er iets knagen: waarom durfde niemand te spreken? Waarom was stilte makkelijker dan hulp?

Soms vraag ik me af: als iedereen wegkijkt, wie blijft er dan over om te helpen? En hoe vaak zijn we zelf die stille toeschouwer geweest?