Erfenis vol Geheimen: De Dag Dat Mijn Leven Op Zijn Kop Stond
‘Wie is Hazel?’ Mijn stem trilde terwijl ik de notaris aankeek. De stilte in het kille kantoor was oorverdovend. Mijn handen klemden zich om de rand van de stoel, mijn knokkels wit. De geur van oud papier en koffie hing zwaar in de lucht.
‘Mevrouw van Dijk,’ begon de notaris voorzichtig, ‘uw man heeft in zijn testament een deel van zijn nalatenschap toegewezen aan een Hazel Jansen.’
Mijn hoofd tolde. George en ik waren al sinds de middelbare school samen, opgegroeid in het rustige dorpje Laren. We hadden alles gedeeld: dromen, angsten, zelfs de kleine ergernissen van het dagelijks leven. Ik dacht dat ik alles van hem wist. Maar deze naam – Hazel – was als een koude hand om mijn hart.
‘Dit moet een vergissing zijn,’ fluisterde ik. ‘George zou zoiets nooit doen zonder het met mij te bespreken.’
De notaris keek me aan met een mengeling van medelijden en ongemak. ‘Het spijt me, mevrouw. Dit is wat er staat.’
Die avond zat ik alleen aan de keukentafel, de stilte in huis was ondraaglijk. De klok tikte luid, elke seconde een herinnering aan het feit dat George er niet meer was. Mijn dochter Sophie kwam binnen, haar gezicht bleek en bezorgd.
‘Mam, wat is er gebeurd bij de notaris?’ vroeg ze zacht.
Ik slikte. ‘Er is iemand anders in het testament genoemd. Een vrouw die ik niet ken.’
Sophie’s ogen werden groot. ‘Denk je… denk je dat papa een affaire had?’
De gedachte sneed als een mes door mijn borst. ‘Ik weet het niet,’ fluisterde ik. ‘Maar ik ga het uitzoeken.’
De dagen daarna waren een waas van telefoontjes, slapeloze nachten en eindeloze speculaties. Mijn schoonzus Anouk kwam langs met appeltaart – haar manier om troost te bieden – maar zelfs haar aanwezigheid kon de spanning niet wegnemen.
‘Misschien is het gewoon een oude vriendin,’ probeerde ze.
‘Of een dochter,’ zei Sophie plotseling. De woorden hingen zwaar in de lucht.
Ik voelde me verraden door een dode man, verscheurd tussen woede en verdriet. Hoe kon George mij dit aandoen? We hadden altijd alles besproken, zelfs de moeilijke dingen. Waarom nu dit geheim?
Na dagen van zoeken vond ik eindelijk Hazel’s adres in Amsterdam. Mijn hart bonsde in mijn keel toen ik voor haar deur stond, een statig oud pand aan de Prinsengracht. Ik belde aan met trillende handen.
De deur werd geopend door een vrouw van mijn leeftijd, met grijsblond haar en vriendelijke ogen. Ze keek me onderzoekend aan.
‘Hazel Jansen?’ vroeg ik schor.
Ze knikte langzaam. ‘U bent Mia…’
‘Van Dijk,’ vulde ik aan. ‘De weduwe van George.’
Hazel liet me binnen zonder aarzeling. Haar appartement was warm en vol boeken, schilderijen en foto’s van verre reizen.
‘Ik weet waarom u hier bent,’ zei ze zacht terwijl ze thee inschonk. ‘En ik begrijp uw verwarring.’
‘Wie bent u voor George?’ vroeg ik, mijn stem breekbaar.
Hazel zuchtte diep. ‘George en ik waren vrienden sinds onze studententijd in Utrecht. We hebben samen veel meegemaakt…’ Ze keek me recht aan. ‘Maar we waren nooit geliefden, Mia. Nooit.’
Ik voelde tranen branden achter mijn ogen – van opluchting, maar ook van frustratie. ‘Waarom dan die erfenis? Waarom heb ik nooit van u gehoord?’
Hazel glimlachte droevig. ‘George heeft me ooit geholpen toen ik alles kwijt was – mijn huis, mijn baan, alles. Hij zei altijd dat hij iets terug wilde doen als hij ooit kon. Blijkbaar heeft hij dat nu gedaan.’
We praatten urenlang, over George, over het leven, over verlies en hoop. Hazel bleek geen bedreiging, maar juist iemand die George’s goedheid kende op een manier die ik nooit had begrepen.
Toen ik thuiskwam, wachtte Sophie op me in de woonkamer.
‘En?’ vroeg ze gespannen.
‘Het is niet wat we dachten,’ zei ik zacht. ‘Papa heeft gewoon iemand geholpen die het nodig had.’
Sophie barstte in tranen uit en viel me in de armen. ‘Ik ben zo opgelucht, mam.’
Toch bleef er iets knagen. Waarom had George mij nooit over Hazel verteld? Was hij bang geweest voor mijn reactie? Of wilde hij gewoon niet dat ik me zorgen maakte?
De weken daarna groeide er iets onverwachts tussen Hazel en mij. We spraken elkaar regelmatig, deelden herinneringen aan George en vonden troost in elkaars gezelschap. Sophie vond het eerst moeilijk, maar zag al snel hoe Hazel ons hielp om George’s dood te verwerken.
Toch bleef mijn familie verdeeld. Mijn broer Pieter vond het maar vreemd: ‘Je laat toch geen vreemde toe in je leven na zoiets?’
Maar ik voelde dat Hazel geen vreemde meer was – ze was onderdeel geworden van ons verhaal.
Op een dag zaten we samen op het terras bij de Vecht, kijkend naar de boten die voorbij voeren.
‘Denk je dat George dit zo gewild had?’ vroeg Hazel zacht.
Ik keek naar het water en voelde eindelijk rust in mijn hart. ‘Ik denk dat hij hoopte dat we elkaar zouden vinden – juist door hem.’
Soms vraag ik me af: hoeveel geheimen dragen we allemaal met ons mee? En wat gebeurt er als die geheimen eindelijk aan het licht komen? Misschien is het niet het verraad dat pijn doet, maar de angst om elkaar kwijt te raken.
Wat zou jij doen als je na jaren huwelijk ineens geconfronteerd wordt met zo’n geheim? Zou je kunnen vergeven – of zou je blijven twijfelen?