Een telefoontje uit het verleden: Toen alles wat ik kende op zijn kop stond
‘Mevrouw de Vries? U spreekt met het OLVG. U bent opgegeven als contactpersoon voor een meneer Erik de Vries. Hij is vanmorgen met spoed opgenomen.’
Mijn hand trilde zo erg dat ik bijna mijn telefoon liet vallen. Erik de Vries. Mijn vader. De man wiens naam ik al jaren niet hardop had uitgesproken, laat staan dat ik hem nog als familie beschouwde. ‘Is… is hij in levensgevaar?’ vroeg ik, mijn stem schor van de schrik.
‘We kunnen niet veel zeggen via de telefoon, maar het is belangrijk dat u zo snel mogelijk komt.’
Ik hing op en staarde naar het scherm. Mijn hart bonsde in mijn borstkas. Waarom nu? Waarom na al die jaren stilte, na alles wat hij ons had aangedaan? Ik dacht aan mijn moeder, aan haar gebroken blik toen ze me vertelde dat hij was vertrokken met een ander. Aan de eindeloze avonden waarop ik haar hoorde huilen in de keuken, terwijl ik boven in mijn bed lag te luisteren naar het kraken van de oude houten vloer.
‘Mam,’ fluisterde ik, terwijl ik haar nummer intoetste. Ze nam meteen op.
‘Sanne? Wat is er?’ Haar stem klonk ongerust.
‘Ze hebben gebeld… van het ziekenhuis. Over papa.’
Het bleef even stil aan de andere kant. ‘Wat willen ze?’ vroeg ze uiteindelijk, haar stem ijzig kalm.
‘Dat ik kom. Hij ligt daar, blijkbaar is het ernstig.’
‘Ga je?’
Ik wist het niet. Alles in mij schreeuwde nee. Maar ergens diep vanbinnen voelde ik een trekkende pijn, een soort verantwoordelijkheid die ik niet kon negeren. ‘Ik weet het niet, mam. Wat zou jij doen?’
Ze zuchtte diep. ‘Dat moet je zelf weten, Sanne. Maar vergeet niet wat hij ons heeft aangedaan.’
Ik hing op en bleef nog even zitten, starend naar de foto op de kast: mijn moeder en ik op het strand van Scheveningen, lachend, wind in onze haren. Geen spoor van hem.
De trein naar Amsterdam voelde als een reis door mijn eigen herinneringen. Ik zag mezelf weer als tiener, wachtend op een vader die nooit kwam opdagen bij mijn toneelvoorstelling. De woede die ik voelde toen hij niet belde op mijn achttiende verjaardag. De schaamte toen klasgenoten vroegen waarom hij nooit bij ouderavonden was.
In het ziekenhuis rook het naar desinfectiemiddel en oude koffie. Bij de balie vroeg ik naar Erik de Vries. De verpleegkundige keek me even onderzoekend aan voordat ze me naar een kleine kamer bracht.
Hij lag daar, bleek en kleiner dan ik me herinnerde. Zijn haar was grijzer, zijn gezicht getekend door rimpels en spijt. Toen hij zijn ogen opendeed en mij zag, trok er een schaduw over zijn gezicht.
‘Sanne…’ Zijn stem was zwak, bijna onherkenbaar.
Ik wist niet wat ik moest zeggen. Alles wat ik ooit had willen roepen – waarom heb je ons verlaten, waarom was je er nooit voor mij – bleef steken in mijn keel.
‘Waarom ben je gekomen?’ vroeg hij zacht.
‘Ze belden me. Ik ben je contactpersoon blijkbaar.’ Mijn stem klonk harder dan bedoeld.
Hij knikte langzaam. ‘Ik had niemand anders meer.’
Die woorden sneden dieper dan ik had verwacht. Was hij echt zo alleen? Had hij niemand meer behalve het kind dat hij ooit achterliet?
‘Wat wil je van me?’ vroeg ik, mijn handen tot vuisten gebald.
Hij draaide zijn hoofd weg. ‘Niets… of misschien alleen… vergeving.’
Ik lachte bitter. ‘Vergeving? Na al die jaren? Je hebt geen idee wat je hebt aangericht.’
Hij sloot zijn ogen en leek kleiner dan ooit tevoren. ‘Ik weet het… elke dag spijt het me meer.’
De stilte tussen ons was ondraaglijk zwaar. Ik dacht aan mijn moeder thuis, aan haar wantrouwen tegenover mannen sinds hij vertrok. Aan hoe ik mezelf altijd wijsmaakte dat ik hem niet miste, dat ik sterker was zonder hem.
Plotseling kwam er een jonge vrouw binnen – verpleegkundige Marloes, stond er op haar badge – met een clipboard in haar hand.
‘Meneer de Vries moet rusten,’ zei ze vriendelijk maar beslist tegen mij.
Ik stond op en liep naar buiten, mijn hoofd vol chaos. In de gang belde ik mijn broer Tom.
‘Tom, hij ligt hier… hij is er slecht aan toe.’
Tom zweeg even. ‘Ga je blijven?’
‘Ik weet het niet,’ zei ik eerlijk.
‘Laat hem niet weer alles bepalen,’ zei Tom zachtjes. ‘Jij kiest nu.’
Die nacht sliep ik nauwelijks. Ik dacht aan alle keren dat ik hoopte dat hij terug zou komen, aan alle keren dat ik mezelf verbood om hem te missen. En nu lag hij daar, kwetsbaar en afhankelijk van mij.
De volgende ochtend zat ik weer naast zijn bed. Hij keek me aan met vochtige ogen.
‘Sanne… mag ik je iets vragen?’
Ik knikte stijfjes.
‘Wil je alsjeblieft je moeder zeggen dat het me spijt? Dat ik haar nooit had mogen laten zitten?’
Ik voelde tranen branden achter mijn ogen. ‘Dat moet je haar zelf zeggen.’
Hij schudde zijn hoofd. ‘Ze wil me niet zien.’
‘Misschien niet,’ zei ik zacht, ‘maar ze verdient het om het van jou te horen.’
Hij knikte langzaam en sloot zijn ogen weer.
De dagen daarna kwam ik elke dag even langs. Soms praatten we over vroeger – over hoe hij me leerde fietsen in het Vondelpark, over pannenkoeken bakken op zondagochtend – maar altijd bleef er iets onuitgesproken tussen ons hangen.
Op een avond zat ik thuis aan tafel met Tom en mam. De sfeer was gespannen.
‘Waarom ga je steeds naar hem toe?’ vroeg mam plotseling scherp.
‘Omdat… omdat hij spijt heeft, mam. Omdat hij alleen is.’
Ze sloeg haar ogen neer en kneep haar handen samen. ‘En jij? Vergeef jij hem?’
Ik wist het niet zeker. Maar elke dag voelde het iets minder zwaar om bij hem te zijn.
Op een ochtend trof ik zijn bed leeg aan. Marloes kwam naar me toe gelopen.
‘Hij is vannacht overleden,’ zei ze zachtjes.
Het voelde alsof iemand de grond onder mijn voeten vandaan trok. Zoveel vragen die nooit beantwoord zouden worden, zoveel woorden die nooit waren uitgesproken.
Bij zijn uitvaart waren er maar een paar mensen: Tom, mam – die toch was gekomen – en ik. We stonden zwijgend naast elkaar terwijl de regen zachtjes tikte op de paraplu’s.
Na afloop liep mam naar me toe en pakte mijn hand vast.
‘Je hebt gedaan wat je kon,’ fluisterde ze.
Thuis bladerde ik door oude fotoalbums en vond een vergeelde foto van papa met mij op zijn schouders in Artis. We lachten allebei breeduit.
Misschien was vergeving geen groot gebaar, maar een reeks kleine keuzes om niet langer vast te houden aan pijn uit het verleden.
Nu vraag ik me af: hoeveel mensen dragen nog steeds zo’n last met zich mee? En wat zou er gebeuren als we allemaal één keer durven kiezen voor vergeving?