“Dus, zijn we het eens? Neem die lening!” – Een schoondochter over haar Nederlandse werkelijkheid
“Dus, zijn we het eens? Neem die lening, Eva!” De stem van mijn schoonmoeder, Gerda, galmde door de kleine keuken. Haar ogen priemden in de mijne, terwijl Mark zwijgend naar zijn koffie staarde. Mijn hart bonsde in mijn keel. Ik voelde me alsof ik in een hoek werd gedreven, zonder uitweg.
“Waarom moet ík die lening nemen?” fluisterde ik, mijn handen trillend om de mok. “Het is toch jullie huis, niet het mijne?”
Gerda snoof. “Jij woont hier nu ook. Je bent familie. Iedereen draagt bij.”
Mark keek op, zijn blik vermijdend. “Eva, het is gewoon makkelijker als jij het doet. Jij hebt nog geen BKR-registratie. Mijn ouders kunnen niet meer lenen.”
Ik was negentien, net een jaar getrouwd met Mark. We woonden bij zijn ouders in een oud huisje aan de rand van het dorp. Ik had altijd gedacht dat liefde alles zou oplossen, dat we samen alles aankonden. Maar de werkelijkheid was anders. Elke dag voelde ik me meer een indringer dan een echtgenoot. Gerda had overal commentaar op: hoe ik de was deed, hoe ik kookte, zelfs hoe ik met Mark praatte.
De eerste maanden probeerde ik het te negeren. “Ze bedoelt het goed,” zei Mark dan. “Ze is gewoon zo.” Maar naarmate de tijd verstreek, werd het steeds moeilijker. Ik voelde me opgesloten, gevangen tussen hun verwachtingen en mijn eigen dromen. Mijn moeder belde vaak, vroeg of het goed ging. Ik loog. “Ja mam, alles gaat prima.”
Maar het ging niet goed. Ik had mijn studie opgegeven om bij Mark te zijn. Mijn vriendinnen zag ik nauwelijks nog. In het dorp werd over me gepraat – het meisje uit de stad, die dacht dat ze alles wist. Ik voelde me eenzaam, verloren.
De lening was de druppel. Gerda wilde het huis verbouwen, een nieuwe keuken, een serre. Maar ze hadden geen geld. Mark werkte in de bouw, maar verdiende niet veel. Ik had een baantje in de supermarkt, maar dat stelde weinig voor. Toch werd er van mij verwacht dat ik mijn naam onder een lening van twintigduizend euro zette.
“Eva, je moet het gewoon doen,” zei Mark die avond in onze kleine kamer. “Het is voor ons allemaal. Mijn ouders hebben het nodig.”
“Maar wat als het misgaat? Dan zit ik met die schuld.”
Hij zuchtte. “Je vertrouwt ons toch?”
Ik keek naar hem, naar de jongen op wie ik ooit zo verliefd was. Waar was die liefde gebleven? Was dit wat volwassen zijn betekende? Jezelf wegcijferen voor anderen?
De dagen daarna voelde ik me als een schim. Gerda liet geen kans onbenut om me te herinneren aan mijn ‘verantwoordelijkheid’. “Jij bent nu een van ons,” zei ze dan, met een glimlach die niet haar ogen bereikte. Mark werd afstandelijker, geïrriteerd als ik het onderwerp aansneed.
Op een avond, na weer een ruzie over de lening, liep ik naar buiten. De lucht was zwaar, het rook naar regen. Ik belde mijn moeder. “Mam, ik weet niet meer wat ik moet doen.”
Ze zweeg even. “Kom naar huis, Eva. Je hoeft dit niet te pikken.”
Maar ik durfde niet. Wat zouden de mensen zeggen? Dat ik gefaald had? Dat ik mijn man en zijn familie in de steek liet?
De weken sleepten zich voort. Ik voelde me steeds leger. Op een dag, toen ik thuiskwam van werk, hoorde ik Gerda en Mark praten in de keuken. “Ze moet het gewoon doen, Mark. Anders kan ze vertrekken.”
“Ze is koppig, mam. Maar ik praat wel met haar.”
Die avond barstte de bom. “Eva, als je niet meewerkt, weet ik niet of dit nog zin heeft,” zei Mark. Zijn woorden sneden door me heen. “Misschien moet je gewoon gaan.”
Ik pakte mijn spullen. In stilte. Geen tranen, geen drama. Ik voelde me leeg, uitgeput. Gerda keek me na, haar armen over elkaar. “Sommige mensen zijn gewoon niet gemaakt voor het dorpsleven,” zei ze zachtjes.
Mijn moeder stond me op te wachten, haar armen wijd. Ik stortte in haar omhelzing. “Je bent thuis, meisje,” fluisterde ze.
Nu, maanden later, zit ik op mijn oude kamer. Alles wat ik dacht te weten over liefde, familie en mezelf is in duigen gevallen. Ik heb niets meer – geen man, geen huis, geen toekomst die ik voor ogen had. Maar misschien heb ik iets teruggevonden wat ik kwijt was: mezelf.
Soms vraag ik me af: had ik anders moeten kiezen? Had ik sterker moeten zijn, meer moeten vechten? Of is het juist dapper om weg te gaan als je jezelf verliest? Wat zouden jullie doen als je in mijn schoenen stond?