Buren vol hoop: Hoe Marijke mij redde van de eenzaamheid

‘Waarom bel je nooit meer terug, mam?’ De stem van mijn dochter Anne klinkt scherp door de telefoon. Ik staar naar de regen die tegen het raam tikt en voel een brok in mijn keel. ‘Ik… ik weet het niet, lieverd. Het is gewoon zo stil hier sinds jullie weg zijn.’

‘We hebben allemaal ons eigen leven nu, mam. Je moet ook verder.’

Haar woorden snijden dieper dan ik wil toegeven. Natuurlijk weet ik dat ze gelijk heeft. Anne woont met haar vriend in Groningen, mijn zoon Joris werkt als arts in Rotterdam. En ik? Ik zit hier in mijn kleine appartement in Utrecht, omringd door foto’s van vroeger en de echo van hun stemmen in lege kamers.

De dagen glijden traag voorbij. Soms ga ik naar de markt op het Vredenburgplein, koop ik bloemen die te snel verwelken en groet ik de bakker die me niet meer bij naam kent. Mijn man is jaren geleden overleden; sindsdien is de stilte mijn vaste metgezel geworden.

Op een avond, als de wind huilend om het gebouw giert en ik mezelf voor de zoveelste keer een kop thee inschenk, hoor ik plotseling de deurbel. Mijn hart slaat op hol – wie belt er nou op dit uur?

Voorzichtig open ik de deur. Daar staat ze: een vrouw van mijn leeftijd, met warrig blond haar en een warme glimlach. In haar handen een schaal dampende appeltaart.

‘Hoi, ik ben Marijke, je nieuwe buurvrouw van hiernaast. Ik dacht, misschien heb je zin in een stukje taart? Het is vandaag precies een jaar geleden dat mijn man overleed, en ik bak altijd iets op deze dag.’

Ik weet niet wat me overkomt. Zonder na te denken nodig ik haar binnen. De geur van kaneel vult mijn woonkamer terwijl we tegenover elkaar aan tafel zitten.

‘Het is hier zo stil sinds mijn kinderen weg zijn,’ fluister ik na een tijdje.

Marijke knikt begrijpend. ‘Ik weet precies wat je bedoelt. Mijn dochter woont in Maastricht, mijn zoon in Zwolle. Soms voelt het alsof iedereen verder gaat behalve ik.’

We praten urenlang. Over verloren liefdes, over kinderen die hun eigen weg kiezen, over de angst om vergeten te worden. Voor het eerst in maanden voel ik me gehoord.

Vanaf die avond verandert er iets. Marijke klopt regelmatig aan – soms met soep, soms gewoon voor een praatje. We wandelen samen door het Wilhelminapark, lachen om oude herinneringen en huilen om wat we zijn kwijtgeraakt.

Maar niet alles is eenvoudig. Mijn zus Els vindt dat ik teveel tijd met Marijke doorbreng. ‘Je moet niet zo afhankelijk worden van één persoon,’ zegt ze streng aan de telefoon. ‘Straks stelt ze je teleur.’

Ik word boos. ‘Waarom gun je me geen beetje geluk? Jij hebt je man nog, je kinderen wonen om de hoek!’

Het gesprek eindigt in stilte. Die nacht lig ik wakker, piekerend over wat Els zei. Ben ik inderdaad te afhankelijk? Of is dit gewoon wat mensen nodig hebben – iemand die luistert, iemand die er is?

Op een zondagmiddag komt Anne onverwacht langs. Ze kijkt verbaasd als ze Marijke bij mij aan tafel ziet zitten.

‘Mam, wie is dit?’

‘Dit is Marijke, mijn buurvrouw en vriendin.’

Anne glimlacht voorzichtig. ‘Fijn dat je iemand hebt gevonden hier.’

Na haar bezoek blijft haar opmerking hangen. Fijn dat je iemand hebt gevonden… Alsof ik verloren was.

De weken verstrijken. Marijke en ik delen steeds meer: geheimen, angsten, hoop op betere dagen. Maar dan gebeurt het onvermijdelijke – Marijke krijgt slecht nieuws van haar arts. Borstkanker.

Ze belt me huilend op. ‘Wil je alsjeblieft mee naar het ziekenhuis?’

Natuurlijk ga ik mee. In de wachtkamer houd ik haar hand vast terwijl ze wacht op de uitslag van de scan.

‘Ik ben zo bang,’ fluistert ze.

‘Ik ook,’ zeg ik eerlijk.

De maanden daarna zijn zwaar. Chemotherapie, ziekenhuisbezoeken, dagen waarop Marijke te zwak is om uit bed te komen. Ik kook voor haar, lees haar voor uit oude boeken en probeer haar aan het lachen te maken.

Soms voel ik me schuldig tegenover mijn eigen kinderen – alsof ik meer geef om Marijke dan om hen. Maar zij hebben hun eigen leven; Marijke heeft alleen mij.

Op een avond zit ik aan haar bed als ze zachtjes zegt: ‘Dankjewel dat je er bent. Zonder jou had ik dit niet gered.’

Ik slik mijn tranen weg. ‘Jij hebt mij ook gered, Marijke. Van de stilte, van mezelf.’

Als Marijke na maanden eindelijk hoort dat de behandeling aanslaat, vieren we dat met champagne op het balkon – ondanks de regen die tegen onze gezichten spat.

Mijn relatie met Anne en Joris verandert langzaam. Ze zien hoe gelukkig ik ben met Marijke in mijn leven en beginnen vaker te bellen, zelfs spontaan langs te komen.

Op een dag zegt Joris: ‘Mam, je bent veranderd. Je straalt weer.’

Ik glimlach en denk aan alles wat er gebeurd is sinds die regenachtige avond toen Marijke aanbelde met haar appeltaart.

Nu zit ik hier, kijkend naar de zon die ondergaat boven Utrecht, en vraag me af: Hoeveel mensen zitten er nog opgesloten in hun eigen stilte? En hoeveel levens zouden kunnen veranderen door één simpele ontmoeting?

Misschien is het nooit te laat voor een nieuw begin – zolang we maar durven open te doen als er wordt aangebeld.