Wanneer Mijn Schoonmoeder Mijn Huisgenoot Werd: Een Onverwachte Strijd om Mijn Eigen Leven

‘Marieke, waarom staat jouw was nog steeds in de badkamer? Je weet toch dat ik straks moet douchen?’ De stem van mijn schoonmoeder, Ans, galmt door het kleine appartement. Ik knijp mijn ogen dicht, voel de frustratie opborrelen. Het is pas zeven uur ’s ochtends. Mijn man, Jeroen, ligt nog te slapen. Onze dochter Sophie draait zich om in haar bedje. Ik slik mijn antwoord in en loop naar de badkamer om de wasmand op te halen.

Sinds Ans bij ons is ingetrokken, samen met haar nieuwe vriend Henk, is niets meer hetzelfde. Ons appartement in Utrecht was al krap met z’n drieën. Nu delen we onze woonkamer met hun spullen, hun stemmen, hun meningen. De geur van Henk’s zware shag hangt ’s ochtends vroeg al in de gang. Ik mis de stilte van vroeger.

‘Je moet haar gewoon zeggen waar het op staat,’ fluistert Jeroen als ik weer in bed kruip. Maar hij zegt het zacht, bijna schuldig. Hij weet net zo goed als ik dat Ans niet luistert. Zij bepaalt de regels nu ze hier woont. ‘Ze heeft nergens anders om naartoe te gaan,’ zegt hij altijd als ik klaag.

De eerste weken probeerde ik begripvol te zijn. Ans was weduwe geworden, haar huis verkocht omdat ze het niet meer kon betalen. Henk was een oude vriend die haar troost bood – en blijkbaar ook een plek nodig had. ‘Het is tijdelijk,’ zei Jeroen. Maar inmiddels zijn we drie maanden verder en lijkt het alsof ze nooit meer weggaan.

Aan tafel schuift Henk aan met zijn krant en een kop koffie. ‘Marieke, heb je de melk weer niet gehaald?’ vraagt hij nors. Ik voel mijn wangen gloeien van irritatie. ‘Ik heb gisteren boodschappen gedaan, Henk. Misschien kun je zelf ook eens iets meenemen?’ Hij bromt iets onverstaanbaars en duikt weer in zijn krant.

Sophie komt binnen, haar pyjama nog half open. ‘Mama, waar is mijn knuffel?’ Ik til haar op schoot en probeer haar gerust te stellen. Maar zelfs dit kleine moment wordt verstoord als Ans zich ermee bemoeit: ‘Sophie moet leren haar spullen op te ruimen, Marieke. Je verwent haar te veel.’

Het voelt alsof ik voortdurend op eieren loop. Elke dag is er wel iets: een discussie over wie wanneer mag douchen, over wie de afwas doet, over het geluid van de televisie. Henk kijkt voetbal tot diep in de nacht; Ans klaagt over het licht in de gang dat te fel is; Jeroen trekt zich terug achter zijn laptop.

Op een avond barst ik uit elkaar. ‘Dit kan zo niet langer! Ik voel me een vreemde in mijn eigen huis!’ Mijn stem trilt. Ans kijkt me aan met die blik die alles zegt: jij bent ondankbaar, jij begrijpt niets van familie.

‘We doen allemaal ons best, Marieke,’ zegt Jeroen voorzichtig. Maar ik zie dat hij zich schaamt – voor mij of voor zijn moeder, dat weet ik niet eens meer.

Die nacht lig ik wakker naast Jeroen, luisterend naar het zachte gesnurk van Henk door de muur heen. Mijn gedachten razen: hoe lang kan ik dit nog volhouden? Ik mis mijn vrijheid, mijn privacy, zelfs mijn eigen geur in huis.

De volgende ochtend besluit ik met Ans te praten. ‘Kunnen we misschien afspraken maken? Over het huishouden, over privacy?’ Ze kijkt me aan alsof ik gek ben geworden. ‘Dit is ook mijn huis nu,’ zegt ze koel. ‘Als je daar moeite mee hebt, moet je maar ergens anders gaan wonen.’

Ik voel tranen branden achter mijn ogen. ‘Maar dit is óns huis…’ probeer ik nog. Ze haalt haar schouders op en draait zich om.

Jeroen probeert te bemiddelen, maar zijn stem klinkt zwak naast die van zijn moeder. ‘Misschien moeten we gewoon wat flexibeler zijn,’ zegt hij tegen mij als we samen afwassen. Ik bijt op mijn lip om niet te schreeuwen.

De weken slepen zich voort. Sophie wordt stiller; ze vraagt steeds vaker of we weer alleen kunnen wonen. Op een dag komt ze huilend thuis uit school omdat Henk tegen haar had geschreeuwd toen ze per ongeluk zijn puzzelstukjes had verschoven.

‘Dit is niet goed voor Sophie,’ zeg ik tegen Jeroen die avond. Hij knikt, maar doet niets.

Op een zaterdagmiddag barst de bom echt. Ik kom thuis van boodschappen doen en zie dat Ans in onze slaapkamer staat te rommelen tussen mijn kleren. ‘Wat doe je?’ roep ik uit.

‘Ik zocht een trui voor Sophie,’ zegt ze nonchalant.

‘Je hebt hier niets te zoeken!’ Mijn stem slaat over van woede en wanhoop.

Ans kijkt me aan met een mengeling van minachting en medelijden. ‘Misschien ben jij gewoon niet gemaakt voor samenleven, Marieke.’

Die avond pak ik een tas in en neem Sophie mee naar mijn zus in Amersfoort. Jeroen blijft achter – verscheurd tussen zijn moeder en zijn gezin.

Bij mijn zus voel ik voor het eerst in maanden weer rust. Maar ook schuldgevoel: heb ik gefaald als vrouw, als moeder? Had ik harder moeten vechten?

Na een week belt Jeroen op. Hij huilt aan de telefoon; hij mist ons, maar weet niet hoe hij het moet oplossen met zijn moeder.

‘Ik wil terug naar huis,’ zegt Sophie zachtjes tegen mij als ze mij ziet huilen na het telefoongesprek.

‘Ik ook,’ fluister ik terug. Maar welk huis bedoelen we eigenlijk nog?

Soms vraag ik me af: hoeveel kun je opgeven voor familie voordat je jezelf verliest? En wat zou jij doen als jouw huis ineens niet meer van jou voelt?