Wanneer je dochter alleen belt om geld: Het verhaal van een moeder die haar kind verloor aan de afstand
‘Anna, kun je me even wat geld overmaken? Het is dringend.’
De woorden van mijn dochter Sanne galmen nog na in mijn hoofd terwijl ik met trillende handen mijn telefoon neerleg. Het is de derde keer deze maand. Ik kijk naar het scherm, haar naam nog zichtbaar, en voel een mengeling van verdriet en frustratie. Hoe is het zover gekomen dat mijn eigen kind alleen nog belt als ze iets van me nodig heeft?
Vroeger was alles anders. Sanne was een vrolijk meisje, altijd in de weer met haar vriendinnen in de straat in Amersfoort, haar haren in een rommelige staart, haar lach aanstekelijk. We bakten samen pannenkoeken op woensdagmiddag, maakten fietstochtjes langs de Eem en deelden geheimen op haar kamer. Maar ergens onderweg zijn we elkaar kwijtgeraakt.
‘Mam, luister nou even,’ klinkt haar stem weer in mijn hoofd. ‘Het is gewoon lastig nu met die huur en alles. Je weet toch dat ik het terugbetaal als ik kan?’
Maar dat doet ze nooit. En toch maak ik het geld steeds weer over. Omdat ik hoop dat ze dan misschien, heel misschien, een keer belt om te vragen hoe het met míj gaat. Of gewoon om te praten.
Mijn man, Pieter, begrijpt het niet. ‘Je moet haar loslaten, Anna,’ zegt hij vaak tijdens het avondeten, terwijl hij zijn vork neerlegt en me aankijkt met die serieuze blik. ‘Ze gebruikt je alleen maar. Je maakt het erger door steeds toe te geven.’
Maar hoe laat je je eigen kind los? Hoe geef je op wat ooit zo vanzelfsprekend was?
De stilte in huis is soms oorverdovend. Sinds Sanne op haar negentiende naar Utrecht verhuisde voor haar studie psychologie, is het alsof er een gat in mijn leven is geslagen. Eerst belde ze elke week, soms zelfs elke dag. Maar naarmate de maanden verstreken, werden de gesprekken korter, oppervlakkiger. Tot er alleen nog maar berichten kwamen als: ‘Mam, kun je wat geld overmaken?’
Ik probeer mezelf wijs te maken dat het normaal is. Dat jongeren nu eenmaal hun eigen leven gaan leiden. Maar als ik andere moeders hoor praten op de markt of bij de bakker – ‘Mijn dochter komt zondag weer eten!’ of ‘We gaan samen naar de film’ – voel ik een steek van jaloezie.
Soms probeer ik haar te bellen, gewoon om te vragen hoe het gaat. Maar dan krijg ik een kortaf antwoord: ‘Druk nu, mam. Ik bel later terug.’ Dat gebeurt zelden.
Afgelopen kerst probeerde ik het anders te doen. Ik had haar lievelingseten gemaakt – stamppot boerenkool met rookworst – en de tafel feestelijk gedekt. Pieter had zelfs haar favoriete wijn gehaald. Maar Sanne kwam te laat, gehaast, met haar telefoon in de hand en haar blik afwezig.
‘Sorry mam, ik moet straks weer weg. Kan ik trouwens wat geld lenen voor mijn studieboeken? Ze zijn echt duur dit jaar.’
Ik voelde hoe mijn hart brak terwijl ik knikte en probeerde te glimlachen.
Na het eten trok Pieter zich terug in zijn werkkamer. Ik bleef achter met de vuile borden en een leeg gevoel in mijn buik.
Die avond stuurde ik Sanne een bericht: ‘Ik mis je.’
Ze reageerde pas twee dagen later: ‘Druk gehad. Spreek je snel.’
De dagen erna voelde ik me leeg en schuldig tegelijk. Had ik iets verkeerd gedaan? Was ik te beschermend geweest toen ze klein was? Of juist te streng? Ik herinner me nog hoe boos ze was toen ik haar niet liet meegaan naar dat festival in Groningen omdat ze pas zestien was.
‘Je vertrouwt me nooit!’ had ze toen geschreeuwd.
Misschien had ze gelijk.
Pieter probeert me op te beuren. ‘Anna, we hebben ons best gedaan. Ze moet nu haar eigen keuzes maken.’ Maar hij begrijpt niet hoe diep het steekt als je kind je alleen nog ziet als een pinautomaat.
Op een avond zit ik aan de keukentafel met een kop thee als mijn telefoon weer trilt. Sanne.
‘Mam, kun je me nu echt even helpen? Mijn huurbaas dreigt me eruit te zetten als ik niet betaal.’
Ik voel de paniek in haar stem en iets in mij breekt opnieuw.
‘Hoeveel heb je nodig?’ vraag ik zacht.
‘Vijfhonderd euro. Ik weet dat het veel is, maar anders heb ik echt een probleem.’
Ik slik en kijk naar Pieter die in de deuropening staat en zijn hoofd schudt.
‘Sanne,’ zeg ik voorzichtig, ‘kunnen we niet gewoon even praten? Over jou? Over hoe het echt met je gaat?’
Aan de andere kant blijft het even stil.
‘Mam… Ik heb nu echt geen tijd voor dit soort gesprekken.’
En weg is ze weer.
Die nacht slaap ik nauwelijks. In mijn hoofd spoken herinneringen aan vroeger – haar eerste stapjes, haar schoolmusical, de keer dat ze huilend thuiskwam omdat ze ruzie had met haar beste vriendin. Toen kon ik haar troosten. Nu lijkt er een onzichtbare muur tussen ons te staan.
Op een dag besluit ik dat het zo niet langer kan. Ik schrijf haar een brief – ouderwets, met pen en papier – waarin ik uitleg hoe erg ik haar mis en hoe pijnlijk het is dat onze band zo veranderd is.
‘Lieve Sanne,
Ik hou van je zoals alleen een moeder dat kan. Maar elke keer als je belt voor geld, voel ik me minder jouw moeder en meer jouw bankrekening. Ik wil weten hoe het écht met je gaat. Ik wil weer lachen met jou, samen thee drinken, praten over alles en niets…’
Ik twijfel lang voordat ik de brief post. Wat als ze boos wordt? Wat als ze helemaal niet meer belt?
Een week later krijg ik een appje: ‘Mam, kunnen we afspreken? Ik wil praten.’
Mijn hart slaat over van blijdschap én angst.
We spreken af in een café aan de Oudegracht in Utrecht. Als ik binnenkom zie ik haar zitten bij het raam, haar blik onzeker maar open.
‘Hoi mam,’ zegt ze zacht.
We praten lang die middag. Over vroeger, over nu, over alles wat tussen ons in is komen te staan. Ze vertelt over haar stress, haar studieschuld, haar gevoel dat ze faalt als volwassene.
‘Ik wist gewoon niet meer hoe ik moest vragen om hulp zonder dat het om geld ging,’ zegt ze met tranen in haar ogen.
Ik pak haar hand vast en voel voor het eerst in jaren weer echt contact.
‘Je hoeft niet perfect te zijn,’ fluister ik. ‘Je bent mijn dochter. Dat is genoeg.’
We huilen allebei.
Het is geen sprookjeseinde – er zijn nog steeds moeilijke dagen, momenten van afstand en onbegrip. Maar er is hoop. We proberen opnieuw te leren praten zonder voorwaarden of verwachtingen.
Soms vraag ik me af: hoeveel ouders zitten stilletjes te wachten op een telefoontje dat nooit komt? En hoeveel kinderen durven niet meer te bellen uit angst voor teleurstelling?
Misschien begint herstel wel bij eerlijkheid – naar elkaar én naar jezelf.