Wanneer Familie Niet Genoeg Is: Mijn Eenzaamheid Achter Gesloten Deuren
‘Waarom bel je me eigenlijk altijd als je iets nodig hebt?’ De stem van mijn moeder klinkt kil door de dunne muur die ons huis van het hare scheidt. Ik sta in de gang, telefoon trillend in mijn hand, terwijl mijn zoontje Daan aan mijn broekspijp trekt. ‘Mam, ik… ik wilde gewoon even praten. Het is zo stil hier,’ probeer ik, maar haar zucht snijdt dwars door mijn woorden heen.
‘Ik heb het druk, Eva. Je weet dat ik oppas op de kinderen van je zus en straks moet ik naar de bridgeclub. Volgende week misschien?’
Ik knik, hoewel ze dat niet kan zien. ‘Ja, mam. Volgende week.’
Als ik ophang, voel ik hoe de muren van ons rijtjeshuis in Amersfoort op me afkomen. Buiten hoor ik de buren hun fietsen in de schuur zetten, gelach van kinderen op straat. Maar hierbinnen is het stil, op het zachte gesnik van Daan na, die zijn knuffel niet kan vinden. Ik buk me, geef hem zijn versleten konijn en veeg een traan van mijn wang voordat hij het ziet.
Mijn man, Mark, komt binnen met zijn laptop onder zijn arm. ‘Heb je Daan al eten gegeven? Ik moet zo nog even doorwerken.’ Zijn stem is vlak, zijn blik vluchtig. Sinds hij promotie heeft gemaakt bij het architectenbureau lijkt hij alleen nog maar te leven voor zijn werk. ‘Ja,’ antwoord ik zachtjes. ‘Hij heeft gegeten.’
Mark kijkt me nauwelijks aan. ‘Goed zo.’ Hij verdwijnt naar boven, waar zijn thuiskantoor is. De deur valt dicht. Ik blijf achter in de keuken, tussen lege bekers en een half opgegeten boterham met pindakaas.
’s Avonds, als Daan eindelijk slaapt en het huis nog stiller lijkt dan overdag, probeer ik Mark te vertellen hoe ik me voel. ‘Mark… Heb je even?’
Hij zucht, zonder op te kijken van zijn scherm. ‘Wat is er nu weer?’
‘Ik voel me zo alleen. Zelfs met jou en Daan om me heen… Het lijkt alsof niemand me ziet.’
Hij draait zich om, zijn gezicht onbegrijpelijk. ‘Je hebt alles wat je nodig hebt, Eva. Een gezond kind, een mooi huis… Wat wil je nog meer?’
Ik weet het niet eens precies. Aandacht? Begrip? Iemand die vraagt hoe het écht met me gaat? Maar ik zeg niets meer, want ik weet dat hij het niet zal begrijpen.
De dagen rijgen zich aaneen als grijze kralen aan een ketting. Daan wordt ziek – koorts en snottebellen – en ik bel mijn moeder opnieuw. ‘Mam, kun je misschien even komen? Ik weet niet meer wat ik moet doen…’
‘Eva, je bent toch geen kind meer? Je bent zelf moeder nu. Je moet leren om op eigen benen te staan.’
Ik hang op voordat ze haar zin afmaakt en laat mezelf op de keukenvloer zakken. Daan huilt boven en ik huil met hem mee.
Op een dag besluit ik naar buiten te gaan, gewoon om te ontsnappen aan de stilte. In het park zie ik andere moeders lachen met elkaar, hun kinderen spelend in het gras. Ik probeer oogcontact te maken met een vrouw die haar dochtertje duwt op de schommel.
‘Hoi,’ begin ik voorzichtig.
Ze glimlacht beleefd, maar haar blik glijdt alweer weg naar haar telefoon.
Ik voel me onzichtbaar.
’s Avonds probeer ik Mark opnieuw te bereiken. ‘Kunnen we niet samen iets doen? Een avondje uit misschien?’
Hij schudt zijn hoofd. ‘Eva, ik ben kapot na zo’n dag werken. Kun je niet gewoon tevreden zijn?’
Ik slik mijn woorden in en kijk naar de foto’s aan de muur: Mark en ik op vakantie in Zeeland, lachend in de zon; Daan als baby in mijn armen; mijn moeder die Daan voor het eerst vasthoudt. Alles lijkt zo ver weg.
Op een nacht lig ik wakker naast Mark, die zacht snurkt. Mijn gedachten razen: Ben ik ondankbaar? Verwacht ik te veel? Of is dit gewoon hoe het leven is als je volwassen bent?
De volgende ochtend belt mijn zus Marieke onverwacht aan. Ze kijkt me onderzoekend aan. ‘Mam zegt dat je weer hebt gebeld.’
Ik knik schaapachtig.
‘Eva… Je moet niet altijd zoveel verwachten van anderen. Iedereen heeft het druk.’
‘Maar waarom voelt het dan alsof niemand tijd voor mij heeft?’ Mijn stem breekt.
Marieke zucht en legt haar hand op mijn arm. ‘Misschien moet je gewoon wat meer voor jezelf doen. Zoek een hobby of zo.’
Als ze weg is, kijk ik naar mezelf in de spiegel: wallen onder mijn ogen, haar in een slordige knot, een blik die ik nauwelijks herken.
Ik probeer yoga via YouTube, schrijf me in voor een cursus keramiek bij het buurthuis. Maar zelfs daar voel ik me buitenstaander tussen vrouwen die elkaar al jaren kennen.
Op een dag barst ik uit tegen Mark. ‘Waarom zie je me niet? Waarom voel ik me zo alleen terwijl jij hier bent?’
Hij kijkt me eindelijk echt aan, maar zijn ogen zijn moe. ‘Misschien moet je hulp zoeken, Eva. Dit kan zo niet langer.’
Zijn woorden raken me harder dan bedoeld is. Hulp zoeken? Ben ik dan echt zo zwak?
’s Nachts lig ik wakker en denk aan vroeger: hoe mijn moeder altijd alles regelde, hoe Mark en ik samen lachten om niets, hoe ik dacht dat een gezin alles zou zijn wat ik nodig had.
Maar nu… Nu voelt het alsof familie niet genoeg is om de leegte te vullen die elke dag groter wordt.
Soms fantaseer ik over weglopen – gewoon verdwijnen uit dit huis vol herinneringen en verwachtingen die ik niet kan waarmaken.
Maar dan hoor ik Daan zachtjes roepen in zijn slaap: ‘Mama?’ En ik weet dat ik moet blijven.
Toch blijft de vraag knagen: Ben ik degene die faalt? Of is het soms gewoon zo dat familie niet alles kan zijn?
Misschien ben ik niet de enige die zich zo voelt. Misschien zijn er meer moeders zoals ik – gevangen tussen liefde en eenzaamheid.
Wat denken jullie? Is familie genoeg om gelukkig te zijn? Of hebben we allemaal soms meer nodig dan dat?