Wanneer de moeder van Mark mij bij het ochtendgloren wekt – Mijn strijd om mijn eigen leven in de schaduw van mijn schoonmoeder

‘Sanne, waarom ligt er nog geen ontbijt op tafel?’ De stem van Mark’s moeder, Gerda, sneed als een mes door de stilte van de vroege ochtend. Ik lag nog in bed, mijn hoofd zwaar van een slapeloze nacht. Mark lag naast me, zijn rug naar mij toe gekeerd. Ik voelde de spanning in mijn lijf toen ik haar voetstappen op de trap hoorde.

‘Sanne! Hoor je me wel?’

Ik slikte. ‘Ja, Gerda. Ik kom eraan.’

Mark draaide zich langzaam om. Zijn ogen waren dof, vermoeid. ‘Laat haar maar, mam. Het is pas zes uur.’

Gerda snoof. ‘In mijn tijd was het huis om deze tijd al aan kant. Jullie jeugd van tegenwoordig…’

Ik stond op, trok snel een trui over mijn pyjama en liep naar beneden. In de keuken stond Gerda al met haar armen over elkaar, haar blik streng. ‘Je weet dat ik niet van luiheid houd, Sanne.’

Ik knikte zwijgend en begon koffie te zetten. Mijn handen trilden. Sinds Mark en ik na zijn burn-out tijdelijk bij zijn ouders waren ingetrokken, voelde ik me een indringer in hun huis. Maar het was niet alleen het huis – het was hun leven, hun regels, hun verwachtingen.

Mark en ik waren zes jaar samen toen hij zijn baan verloor. De stress werd hem te veel en hij stortte in. Zijn ouders boden aan dat we bij hen konden wonen tot we weer op eigen benen konden staan. Ik dacht dat het tijdelijk zou zijn. Maar nu, negen maanden later, voelde het alsof ik langzaam verdronk.

‘Je moet harder zijn,’ zei mijn moeder aan de telefoon. ‘Laat je niet zo klein maken.’

Maar hoe? Gerda was overal. Ze bepaalde wat we aten, hoe laat we opstonden, zelfs hoe ik mijn kleren waste. Mark probeerde me te steunen, maar hij viel steeds terug in oude patronen zodra zijn moeder in de buurt was.

Op een avond zat ik met Mark op de bank. De televisie stond zachtjes aan, maar ik hoorde niets van wat er werd gezegd.

‘Mark,’ begon ik voorzichtig, ‘we moeten echt iets veranderen. Dit gaat zo niet langer.’

Hij zuchtte diep. ‘Ik weet het, Sanne. Maar waar moeten we heen? Ik heb nog steeds geen werk.’

‘We kunnen iets kleiners huren. Of tijdelijk bij mijn zus intrekken.’

Hij schudde zijn hoofd. ‘Mijn moeder bedoelt het goed. Ze wil gewoon helpen.’

Ik voelde tranen prikken achter mijn ogen. ‘Maar ze helpt niet, Mark. Ze maakt ons kapot.’

Op dat moment kwam Gerda binnen met een stapel wasgoed. ‘Jullie praten toch niet weer over verhuizen hè? Mark, je weet hoe moeilijk dat voor je vader zou zijn.’

Mark keek weg. Ik voelde me alleen.

De dagen werden weken. Gerda’s opmerkingen werden scherper. Ze vond dat ik te weinig deed in huis, dat ik Mark niet genoeg steunde, dat ik geen echte “Hollandse vrouw” was.

Op een zondagmiddag barstte de bom.

We zaten aan tafel met zijn ouders en zijn broer Jeroen en diens vrouw Anouk. Gerda serveerde stamppot en keek me aan met haar bekende blik.

‘Sanne, wanneer ga jij eigenlijk eens werken? Je kunt toch wel iets vinden? Zelfs Anouk werkt parttime nu ze zwanger is.’

Ik voelde alle ogen op mij gericht.

‘Ik zoek al maanden,’ zei ik zacht.

Gerda lachte schamper. ‘Misschien moet je minder kieskeurig zijn.’

Jeroen schraapte zijn keel. ‘Mam, laat haar nou.’

Maar Gerda ging door: ‘In mijn tijd…’

Toen knapte er iets in mij.

‘In uw tijd was alles anders! U had geen idee hoe het nu is om werk te zoeken! U weet niet hoe het is om elke dag te moeten vechten voor een beetje respect in uw eigen huis!’

Het werd stil aan tafel.

Mark keek me aan met grote ogen.

Gerda stond op, haar gezicht rood van woede. ‘Als je het hier zo slecht hebt, waarom ga je dan niet weg?’

Ik stond ook op, mijn handen trilden maar mijn stem was vastberaden: ‘Misschien moet ik dat inderdaad doen.’

Die nacht sliep ik bij Anouk op de logeerkamer. Ze hield mijn hand vast terwijl ik huilde.

‘Je bent sterker dan je denkt,’ fluisterde ze.

De volgende ochtend pakte ik mijn spullen en vertrok naar mijn zus in Utrecht. Mark bleef achter.

De weken die volgden waren een waas van verdriet en opluchting tegelijk. Mijn zus gaf me ruimte om te ademen, om mezelf terug te vinden. Ik vond een tijdelijke baan bij een boekhandel en langzaam kwam het leven terug in mijn ogen.

Mark belde vaak. Soms nam ik op, soms niet.

‘Sanne,’ zei hij op een avond aan de telefoon, ‘ik mis je zo verschrikkelijk.’

‘Ik jou ook,’ fluisterde ik.

‘Kom terug… alsjeblieft.’

‘Niet zolang je moeder alles bepaalt,’ zei ik zacht.

Er volgde een lange stilte.

‘Ik weet niet of ik dat kan,’ zei hij uiteindelijk.

En toen wist ik dat het voorbij was.

Het duurde maanden voordat het verdriet wegebde. Maar op een dag liep ik langs de grachten van Utrecht en voelde ik voor het eerst weer zon op mijn gezicht zonder schuldgevoel of angst.

Soms denk ik nog aan Mark en zijn moeder – aan alles wat had kunnen zijn als dingen anders waren gelopen.

Hebben jullie ooit moeten kiezen tussen jezelf en iemand van wie je houdt? En hoe weet je wanneer het tijd is om voor jezelf te kiezen?