Waarom zou ik nu voor haar zorgen? Ontmoet Jeroen, het gouden kind: Mijn strijd als dochter in een Nederlands gezin

‘Waarom zou ík nu ineens voor haar moeten zorgen?’ Mijn stem trilt, maar ik probeer vastberaden te klinken. Jeroen kijkt me aan met die blik die hij altijd heeft als hij iets van me wil: een mengeling van ongeduld en minachting. ‘Omdat jij toch altijd thuis bent, Marieke. En mam heeft hulp nodig. Ik heb het druk met werk en de kinderen.’

Ik voel de woede in mijn buik borrelen. Altijd hetzelfde liedje. Jeroen, het gouden kind, de trots van mijn moeder. En ik? Ik was altijd degene die zich aanpaste, die stilletjes haar eigen weg zocht in de schaduw van zijn succes. ‘Misschien moet jij eens wat tijd vrijmaken,’ snauw ik terug. ‘Of is dat te veel gevraagd van onze familieheld?’

Hij zucht en draait zich om, alsof hij geen zin heeft in deze discussie. ‘Doe niet zo moeilijk, Marieke. Mam heeft het zwaar genoeg.’

Ik kijk naar mijn moeder, die zwijgend in haar stoel zit. Haar handen trillen lichtjes terwijl ze aan haar theekopje friemelt. Ze kijkt niet op, zegt niets. Zoals altijd.

Mijn gedachten dwalen af naar vroeger. Naar onze rijtjeswoning in Amersfoort, waar de geur van stamppot en natte jassen altijd in de gang hing. Jeroen was de ster van het gezin: goed in voetbal, hoge cijfers op school, altijd grappen makend aan tafel. Mijn moeder lachte om alles wat hij zei. Mijn vader sloeg hem op de schouder en noemde hem ‘onze kampioen’.

En ik? Ik was het meisje dat haar huiswerk netjes maakte, die haar kamer opruimde zonder dat iemand het vroeg. Maar niemand zag het. Als ik een acht haalde voor wiskunde, zei mijn moeder: ‘Goed zo, maar Jeroen had een negen.’ Als ik huilde omdat ik gepest werd op school, zei ze: ‘Je moet gewoon wat meer zoals Jeroen zijn. Die laat zich niet kennen.’

Op mijn zestiende liep ik weg van huis. Niet letterlijk – daar had ik het lef niet voor – maar in mijn hoofd trok ik de deur dicht. Ik werd stiller, trok me terug op mijn kamer met boeken en muziek. Mijn vader merkte niets; mijn moeder vond me lastig. Alleen mijn oma zag me echt. ‘Jij bent sterker dan je denkt, meisje,’ fluisterde ze als ze me een extra koekje toeschoof.

Toen oma overleed, voelde ik me nog meer alleen. Jeroen was inmiddels uit huis, studeerde economie in Rotterdam en kwam alleen nog thuis om zijn vuile was te brengen of geld te vragen voor zijn studieboeken. Mijn moeder huilde als hij weer vertrok; bij mij keek ze nauwelijks op als ik thuiskwam van school.

Na mijn studie psychologie vond ik een baan bij een GGZ-instelling in Utrecht. Ik werkte hard, probeerde mensen te helpen die zich net zo onzichtbaar voelden als ik vroeger. Maar thuis bleef alles hetzelfde. Jeroen trouwde met Sanne, kreeg twee kinderen en werd manager bij een groot bedrijf. Op verjaardagen praatte iedereen over zijn promoties en vakanties naar Italië.

‘En jij dan, Marieke?’ vroeg mijn tante Ineke eens voorzichtig tijdens een familiefeestje.
‘Ach, Marieke werkt bij de gekkies,’ lachte mijn moeder hardop, terwijl ze nog een stuk appeltaart sneed.

Iedereen lachte mee. Behalve ik.

Nu zit ik hier weer aan tafel met Jeroen en mam. Mijn vader is drie jaar geleden overleden aan een hartaanval; sindsdien is alles nog stiller geworden in huis. Mijn moeder is ziek – Parkinson – en heeft steeds meer zorg nodig.

‘Ik kan het niet alleen,’ zegt ze ineens zachtjes, zonder me aan te kijken.

Jeroen kijkt me aan alsof hij wil zeggen: zie je wel?

‘Misschien moet je naar een verzorgingstehuis,’ zeg ik voorzichtig.

‘Nee!’ roept ze fel. ‘Dat wil ik niet! Ik wil thuis blijven.’

‘Dan moet je accepteren dat we niet alles kunnen doen,’ zeg ik kalm.

Jeroen schuift onrustig op zijn stoel. ‘Marieke, kom op… Je woont toch vlakbij? Jij hebt geen gezin om voor te zorgen.’

Die zin snijdt door mijn ziel. Geen gezin om voor te zorgen. Alsof dat mijn keuze was – alsof ik niet jarenlang geprobeerd heb iemand te vinden die mij wél zag staan.

‘Misschien omdat niemand ooit voor mij gezorgd heeft,’ fluister ik bijna onhoorbaar.

Er valt een pijnlijke stilte.

De weken daarna word ik heen en weer geslingerd tussen schuldgevoel en woede. Ik ga langs bij mam om boodschappen te doen, help haar met aankleden en medicijnen innemen. Maar elke keer als Jeroen langskomt – altijd even snel tussen twee afspraken door – krijgt hij een glimlach en een aai over zijn bol.

Op een dag vind ik haar huilend op de bank.
‘Wat is er, mam?’ vraag ik voorzichtig.
Ze kijkt me aan met rode ogen. ‘Ik ben bang dat jullie straks niet meer komen als ik moeilijk word.’

Ik slik. ‘Mam…’
Ze pakt mijn hand vast met haar trillende vingers. ‘Het spijt me dat ik niet altijd even lief voor je ben geweest.’

Voor het eerst in jaren voel ik iets breken in mij – of misschien juist helen.
‘Ik wilde gewoon dat je sterk was,’ zegt ze zachtjes.
‘Maar mam… soms had ik gewoon willen horen dat je trots op me was.’
Ze knikt langzaam en veegt een traan weg.

Die avond bel ik Jeroen.
‘We moeten praten,’ zeg ik resoluut.
Hij klinkt geïrriteerd: ‘Waarover nu weer?’
‘Over mam. Over ons.’

We spreken af in het park waar we vroeger speelden als kinderen. Het is koud; de bomen zijn kaal en de lucht is grijs.
‘Wat wil je?’ vraagt hij zonder omhaal.
‘Dat jij ook je deel doet,’ zeg ik rechtuit. ‘En dat je stopt met doen alsof alles vanzelfsprekend is.’
Hij haalt zijn schouders op. ‘Mam houdt nu eenmaal meer van mij dan van jou.’
Die woorden doen pijn – maar minder dan vroeger.
‘Misschien wel,’ zeg ik rustig. ‘Maar dat betekent niet dat jij alles mag laten vallen op mij.’
Hij kijkt weg, schopt tegen een steentje.
‘Weet je… soms wou ik dat ze mij ook gewoon eens met rust liet,’ mompelt hij ineens.

Voor het eerst zie ik hem niet als het gouden kind, maar als iemand die ook worstelt met verwachtingen die hij nooit heeft gekozen.

Langzaam verandert er iets tussen ons. We maken samen een schema voor de zorg; Jeroen komt vaker langs, neemt zelfs zijn kinderen mee zodat mam kan genieten van haar kleinkinderen.

Het blijft moeilijk – de oude pijn verdwijnt niet zomaar – maar er ontstaat ruimte voor iets nieuws: begrip, misschien zelfs vergeving.

Soms vraag ik me af: had alles anders kunnen lopen als we elkaar eerder echt hadden gezien? Of zijn sommige patronen zo diepgeworteld dat je alleen maar kunt proberen er niet aan onderdoor te gaan?

Wat zouden jullie doen als je moest kiezen tussen jezelf beschermen of zorgen voor degene die jou altijd over het hoofd heeft gezien?