Waarom Mijn Moeder Mijn Bloemen Haatte – En Hoe Ik Toch Mijn Eigen Pad Vond

‘Waarom doe je toch zo moeilijk, Chloe? Je weet dat bloemen nergens goed voor zijn. Je kunt beter aardappels planten, daar heb je tenminste wat aan.’

Mijn moeders stem sneed als een mes door de stilte van de keuken. Ik stond met mijn handen vol aarde, mijn nagels zwart, mijn hart bonzend in mijn borstkas. Het was weer zover. De zoveelste keer dat ze mijn bloemen uit de tuin had getrokken. Mijn bloemen, waar ik elke dag met zoveel liefde voor zorgde.

‘Mam, waarom kun je niet gewoon blij zijn dat ik iets doe wat ik leuk vind?’ probeerde ik, mijn stem trillend van ingehouden woede en verdriet.

Ze rolde met haar ogen, haar mond in een strakke lijn. ‘Omdat het zonde is van je tijd. Je vader en ik hebben hard gewerkt om dit huis te krijgen. En jij verspilt de grond aan onzin.’

Ik slikte. Mijn vader zei nooit veel, maar als hij sprak, was het altijd raak. ‘Je moeder heeft gelijk, Chloe,’ zei hij die avond aan tafel, terwijl hij zijn vork neerlegde. ‘Je moet leren praktisch te zijn. Het leven draait niet om mooie dingen, maar om wat nodig is.’

Ik keek naar mijn bord stamppot en voelde de tranen prikken achter mijn ogen. Mijn broertje Daan keek me aan met een mengeling van medelijden en ongemak. Hij was altijd de bemiddelaar, probeerde de sfeer luchtig te houden met grapjes, maar vandaag bleef hij stil.

Die nacht lag ik wakker in mijn kamer, het raam op een kier zodat ik de geur van de aarde kon ruiken. Ik dacht aan oma’s tuin in Amersfoort, waar ik als klein meisje uren tussen de bloemen zat. Oma begreep me altijd. ‘Bloemen zijn als mensen,’ zei ze dan. ‘Ze hebben allemaal hun eigen kleur en geur, maar samen maken ze iets moois.’

Oma was er niet meer. Sinds haar dood voelde het huis leger dan ooit. Mijn moeder was harder geworden, kortaf, alsof ze bang was dat zachtheid haar zou breken.

De volgende ochtend vond ik de tuin kaalgeplukt. Geen spoor meer van de viooltjes die ik vorige week had geplant. Mijn handen trilden toen ik naar het schuurtje liep om nieuwe zaadjes te zoeken.

‘Wat doe je nou weer?’ riep mijn moeder vanuit het keukenraam.

‘Ik plant gewoon opnieuw,’ zei ik zachtjes terug.

Ze zuchtte diep. ‘Je leert het ook nooit.’

Op school was het niet veel beter. Mijn beste vriendin Sanne begreep me gelukkig wel. ‘Je moet gewoon volhouden, Chlo,’ zei ze terwijl we op het schoolplein zaten. ‘Laat haar maar mopperen.’

Maar het deed pijn. Elke keer als ik thuiskwam en zag dat mijn bloemen weg waren, voelde het alsof een stukje van mezelf werd uitgerukt.

Op een dag kwam ik thuis en zag ik Daan in de tuin staan met een schepje in zijn hand.

‘Wat doe jij?’ vroeg ik verbaasd.

Hij keek schuldig op. ‘Ik wilde je helpen… Ik dacht, misschien als we samen planten, laat mam het dan wel staan.’

Mijn hart smolt een beetje. Samen plantten we nieuwe zaadjes: klaprozen, margrieten, zonnebloemen. Daan lachte toen hij zijn handen vies maakte. ‘Misschien moet ik ook maar bloemist worden,’ grapte hij.

Die avond hoorde ik mijn ouders fluisteren in de keuken.

‘Ze moet leren dat het leven geen sprookje is,’ zei mijn moeder scherp.

‘Misschien heeft ze gewoon iets nodig om gelukkig te zijn,’ antwoordde mijn vader zachter dan ik gewend was.

Ik kroop die nacht onder mijn dekens met een mengeling van hoop en angst in mijn buik.

De weken gingen voorbij. Soms liet mijn moeder de bloemen staan, soms niet. Het werd een soort spelletje: wie hield het langst vol? Ik gaf niet op.

Op een regenachtige zaterdagmiddag kwam Sanne langs met een grote bos tulpen.

‘Voor jou,’ zei ze stralend. ‘Omdat jij nooit opgeeft.’

We zetten de tulpen in een vaas op mijn kamer. De kleuren fleurde alles op.

Toen gebeurde het onvermijdelijke: op een dag kwam ik thuis en vond ik niet alleen mijn bloemen uitgetrokken, maar ook een briefje op mijn bed.

‘Chloe,
Je moeder en ik maken ons zorgen om je. We willen dat je stopt met die bloemenonzin en je richt op school en nuttige dingen. Anders gaan we maatregelen nemen.
Papa’

Mijn handen trilden toen ik het briefje las. Maatregelen? Wat bedoelden ze daarmee?

Die avond durfde ik nauwelijks naar beneden te gaan voor het avondeten. De spanning was om te snijden.

‘Heb je het gelezen?’ vroeg mijn vader zonder op te kijken van zijn krant.

Ik knikte zwijgend.

‘We menen het, Chloe,’ zei mijn moeder streng. ‘Als je doorgaat met die bloemen, krijg je geen zakgeld meer en mag je niet meer naar Sanne.’

Het voelde alsof de grond onder me wegzakte.

Daan keek me aan met grote ogen. ‘Dat is niet eerlijk!’ riep hij uit.

‘Bemoei je er niet mee,’ snauwde mijn moeder.

Die nacht huilde ik mezelf in slaap. Hoe kon iets wat mij zo gelukkig maakte zo verkeerd zijn in hun ogen?

De volgende dag besloot ik naar oma’s oude huis te gaan. Het stond leeg sinds haar dood, maar de tuin was er nog steeds – verwilderd, maar vol herinneringen.

Ik hurkte neer bij de oude rozenstruik en voelde de tranen over mijn wangen stromen.

‘Oma, waarom begrijpen ze me niet?’ fluisterde ik in de wind.

Plots hoorde ik voetstappen achter me. Daan stond daar, natgeregend maar vastberaden.

‘Kom mee,’ zei hij zachtjes. Samen liepen we naar binnen, waar alles nog rook naar oma’s lavendelzeep.

‘Weet je wat oma altijd zei?’ vroeg Daan ineens. ‘Dat jij later iets zou doen met bloemen. Dat je mensen blij zou maken.’

Ik glimlachte door mijn tranen heen. ‘Misschien moet ik dat gewoon doen.’

Die avond schreef ik een brief aan mijn ouders:

‘Lieve papa en mama,
Ik weet dat jullie willen dat ik praktisch ben en hard werk, net als jullie altijd hebben gedaan. Maar bloemen zijn voor mij geen onzin – ze zijn hoop, kleur en troost in een wereld die soms zo grijs voelt. Ik beloof dat ik mijn schoolwerk serieus neem, maar vraag jullie om mij ook serieus te nemen.
Liefs,
Chloe’

Het bleef dagen stil na die brief. Mijn ouders zeiden niets, maar ook geen maatregelen meer. Mijn zakgeld bleef komen, Sanne mocht blijven langskomen.

Langzaam veranderde er iets in huis. Mijn moeder mopperde minder als ze me in de tuin zag werken; soms bleef ze zelfs even kijken voordat ze weer naar binnen ging.

Op een dag kwam ze naar buiten met een oude gieter in haar hand.

‘Welke moet water?’ vroeg ze stug.

Mijn hart maakte een sprongetje.

‘De zonnebloemen kunnen wel wat gebruiken,’ zei ik voorzichtig.

Ze knikte en begon te gieten – onhandig, maar toch…

Daan stak zijn duim op vanuit het raam en Sanne stuurde me die avond een appje: ‘Zie je wel? Je hebt iets veranderd.’

Nu ben ik achttien en werk ik bij een kleine bloemenwinkel in Utrecht naast mijn studie biologie. Mijn moeder moppert nog steeds wel eens over “die troep”, maar laatst zag ik haar glimlachen toen ze een bosje tulpen op tafel zette.

Soms vraag ik me af: hoeveel van ons geven op omdat anderen onze dromen niet begrijpen? En hoeveel zouden er doorgaan als ze wisten dat zelfs één klein zaadje hoop kan uitgroeien tot iets groots?