Vandaag heb ik mijn zoon en schoondochter het huis uitgezet: Hoe ik eindelijk voor mezelf koos

‘Mam, we kunnen toch nog wel een paar weken blijven? Het is allemaal zo lastig met de verhuizing en de hypotheek…’

De stem van mijn zoon, Jeroen, klinkt smekend. Zijn vrouw, Marieke, staat achter hem met haar armen over elkaar. Haar blik zegt alles: ze verwacht dat ik weer ja zeg. Zoals altijd.

Ik kijk naar de koffiekopjes op tafel, de kruimels van het ontbijt die niemand heeft opgeruimd. Mijn huis, ooit mijn veilige haven, voelt al maanden als een doorgangshuis. Sinds Jeroen en Marieke hier ‘tijdelijk’ introkken, is niets meer van mij. Mijn woonkamer ruikt naar hun parfum, hun schoenen staan in de gang, hun ruzies echoën door de muren.

‘Jeroen,’ begin ik, mijn stem trilt. ‘Het is nu al bijna zeven maanden. Jullie zeiden dat het voor hooguit twee maanden zou zijn.’

Hij zucht diep. ‘Mam, je weet toch hoe lastig het is om nu iets te vinden? Alles is duur, de huizenmarkt is gekkenwerk.’

Marieke rolt met haar ogen. ‘We kunnen er toch ook niks aan doen dat het zo loopt? Jij hebt hier ruimte zat.’

Ik voel hoe mijn hart zich samenknijpt. Ik heb altijd alles voor mijn kinderen gedaan. Toen hun vader, mijn man Henk, vijf jaar geleden overleed, was het huis ineens leeg en stil. Ik was blij toen Jeroen vroeg of ze even bij mij konden wonen. Maar nu… Nu ben ik mezelf kwijt.

Elke ochtend word ik wakker van hun gestommel. Marieke klaagt over het ontbijt – ‘Waarom is er nooit havermelk?’ – en Jeroen laat zijn was slingeren. Ze werken allebei thuis, dus privacy heb ik niet meer. Mijn vriendinnen zie ik nauwelijks nog; als ik bezoek krijg, trekt Marieke zich terug op haar kamer en Jeroen moppert dat hij niet kan werken.

Vorige week hoorde ik ze weer ruziën over geld. Marieke schreeuwde dat Jeroen ‘nooit iets regelt’ en Jeroen schold terug. Ik zat in de keuken met mijn handen om mijn kopje thee geklemd en voelde me een indringer in mijn eigen huis.

‘Mam?’ Jeroen kijkt me vragend aan.

Ik slik. ‘Jullie moeten een andere oplossing zoeken. Dit kan zo niet langer.’

Het blijft even stil. Marieke’s gezicht vertrekt. ‘Wil je ons gewoon het huis uitzetten?’

‘Ik wil mijn leven terug,’ fluister ik. ‘Ik wil weer mezelf kunnen zijn in mijn eigen huis.’

Jeroen springt op. ‘Ongelooflijk! Na alles wat we voor je doen! We helpen met boodschappen, we koken soms…’

‘Jullie helpen als het jullie uitkomt,’ zeg ik zachtjes. ‘Maar ik ben geen hotel. Ik ben jullie moeder, geen dienstmeisje.’

Marieke pakt haar telefoon en begint driftig te typen. Jeroen loopt naar het raam en staart naar buiten.

‘Waar moeten we dan heen?’ vraagt hij uiteindelijk.

‘Jullie zijn volwassen,’ zeg ik, terwijl ik probeer niet te huilen. ‘Jullie vinden wel een oplossing. Misschien bij Mariekes ouders?’

Marieke snuift. ‘Mijn moeder heeft geen plek, dat weet je best.’

‘Dan zoeken jullie iets anders,’ zeg ik beslist.

De rest van de dag hangt er een ijzige stilte in huis. Jeroen praat nauwelijks tegen me; Marieke negeert me volledig. Ik hoor ze bellen met vrienden, zoeken op Funda, klagen tegen elkaar over hoe oneerlijk dit is.

’s Avonds lig ik wakker in bed. Mijn hart bonkt in mijn borstkas. Heb ik het juiste gedaan? Ben ik een slechte moeder? Maar dan denk ik aan hoe ongelukkig ik ben geworden in mijn eigen huis, hoe klein mijn wereld is geworden sinds zij hier wonen.

De volgende ochtend komt Jeroen naar me toe in de keuken. Zijn ogen zijn rood van het huilen.

‘Mam…’ zegt hij zachtjes. ‘We gaan dit weekend weg. We slapen wel tijdelijk bij een vriend van mij.’

Ik knik alleen maar, want als ik iets zeg, breek ik.

Marieke komt niet eens meer beneden om afscheid te nemen als ze vertrekken. Jeroen geeft me een korte knuffel bij de deur.

‘Ik snap het wel, mam,’ fluistert hij. ‘Maar het doet pijn.’

‘Het doet mij ook pijn,’ zeg ik eerlijk.

Als de deur dichtvalt en hun stemmen wegsterven in de straat, voel ik me leeg én opgelucht tegelijk. Ik loop door het huis; overal liggen nog sporen van hun verblijf: een sjaal op de kapstok, een halflege fles shampoo in de badkamer, lege koffiekopjes op tafel.

Ik ga zitten in mijn favoriete stoel bij het raam en kijk naar buiten. De zon schijnt voorzichtig tussen de wolken door. Voor het eerst in maanden hoor ik alleen het zachte tikken van de klok en het gefluit van vogels in de tuin.

Mijn telefoon trilt: een appje van mijn zus Anja. ‘Je hebt het juiste gedaan,’ schrijft ze. ‘Nu mag jij weer leven.’

Tranen prikken achter mijn ogen – van verdriet én opluchting.

’s Avonds bel ik mijn vriendin Els en vertel haar alles. Ze luistert geduldig en zegt dan: ‘Je hebt eindelijk voor jezelf gekozen, Marjan. Dat is moedig.’

Toch blijft er een knagend gevoel achter: heb ik gefaald als moeder? Of is dit juist wat liefde is – grenzen stellen, ook als het pijn doet?

Nu zit ik hier alleen aan tafel met een kop thee en vraag me af: hoeveel moet je jezelf opofferen voor je kinderen? En wanneer mag je eindelijk voor jezelf kiezen?

Wat zouden jullie doen als je in mijn schoenen stond?