Tussen Liefde en Grenzen: Mijn Strijd met Mijn Schoonmoeder tijdens Mijn Zwangerschap
“Sandra, je moet écht meer rust nemen. Je weet toch dat stress niet goed is voor de baby?” De stem van mijn schoonmoeder, Ria, galmt nog na in mijn hoofd terwijl ik met trillende handen de afwas doe. Het is zaterdagochtend, de regen tikt zachtjes tegen het raam van ons rijtjeshuis in Amersfoort. Mijn man, Jeroen, zit boven te werken aan zijn scriptie. Ik ben zeven maanden zwanger en alles in mij schreeuwt om rust, maar sinds Ria drie weken geleden besloot ’tijdelijk’ bij ons in te trekken vanwege haar lekkende dak, is mijn huis niet langer mijn thuis.
Ik hoor haar voetstappen op de trap. “Sandra, heb je die kruidenthee al geprobeerd die ik voor je heb meegenomen? Het schijnt wonderen te doen tegen opgezwollen enkels.” Ze kijkt me aan met die blik die ergens tussen bezorgdheid en controlezucht zweeft. Ik voel hoe mijn kaken zich aanspannen.
“Dank je, Ria. Maar ik heb liever gewoon water,” zeg ik zachtjes, hopend dat ze het laat rusten. Maar natuurlijk niet.
“Water? Ach meisje, je weet niet wat goed voor je is. Toen ik zwanger was van Jeroen, deed ik alles precies zoals het hoorde. Geen wonder dat hij zo’n sterke jongen is geworden.”
Ik slik mijn frustratie weg. Jeroen zegt altijd dat zijn moeder het goed bedoelt, maar hij ziet niet hoe haar aanwezigheid als een deken over mijn ademhaling ligt. Elke ochtend begint met haar commentaar op mijn ontbijt (te weinig vezels), gevolgd door suggesties voor zwangerschapsyoga (waar ik geen energie voor heb), en eindigt met discussies over hoe wij straks onze baby moeten opvoeden.
Die avond zit ik op de bank, mijn handen beschermend over mijn buik gevouwen. Jeroen komt naast me zitten. “Gaat het, San? Je ziet er moe uit.”
Ik twijfel even. “Jeroen, ik trek dit niet meer. Je moeder… ze is overal. Ik voel me niet meer thuis in mijn eigen huis.”
Hij zucht. “Ze blijft echt niet lang meer. Het is gewoon tijdelijk tot haar dak gemaakt is. Ze bedoelt het goed, San.”
“Maar ik heb rust nodig! Dit is onze tijd samen, voordat de baby komt. Ik wil niet dat ze straks overal bij betrokken is.”
Hij kijkt weg. “Ik zal met haar praten.”
De volgende ochtend hoor ik hun stemmen in de keuken.
“Mam, Sandra heeft wat meer ruimte nodig. Misschien kun je haar wat meer laten?”
Ria klinkt gekwetst. “Ik wil alleen maar helpen! Jullie zijn zo jong en onervaren… Ik snap niet waarom ze zo afstandelijk doet.”
Ik voel tranen prikken achter mijn ogen. Waarom ziet niemand hoe moeilijk dit voor mij is? Waarom voel ik me schuldig omdat ik grenzen wil stellen?
Die middag belt mijn moeder. “Hoe gaat het met je, lieverd?”
Ik barst in tranen uit. “Mam, ik weet niet meer wat ik moet doen. Ria is zo aanwezig… Ik voel me alsof ik faal als moeder nog voordat ik begonnen ben.”
Mijn moeder luistert geduldig en zegt dan: “Schat, dit is jouw zwangerschap. Jouw gezin. Je mag best zeggen wat je nodig hebt.”
Maar hoe doe je dat als je bang bent dat alles uit elkaar valt?
De dagen slepen zich voort. Ria blijft zich bemoeien met alles: van de kleur van het babykamertje tot welke luiers we straks moeten kopen (“Papier? Echt niet! Stoffen luiers zijn veel beter voor het milieu!”). Jeroen probeert te bemiddelen, maar trekt zich steeds vaker terug op zolder.
Op een avond barst de bom.
Ria staat in de deuropening van onze slaapkamer met een stapel babykleertjes in haar handen.
“Kijk eens wat ik gevonden heb op zolder! Jeroens eerste pakje! Dat móet jullie kindje als eerste aan.” Ze drukt het me in handen.
Ik voel iets in mij breken.
“Ria, stop alsjeblieft! Dit is míjn kind, míjn zwangerschap! Ik wil zelf beslissen wat goed is voor ons gezin!”
Ze kijkt me aan alsof ik haar een klap heb gegeven.
“Nou zeg… Zo ondankbaar heb ik je nog nooit gezien,” fluistert ze en loopt weg.
Jeroen komt binnen net op het moment dat ik snikkend op bed zit.
“Wat is er gebeurd?”
“Ik kan dit niet meer,” huil ik. “Of zij gaat weg, of ik ga weg.”
Die nacht slaap ik nauwelijks. De volgende ochtend tref ik Ria aan de keukentafel, haar ogen rood van het huilen.
“Sandra… misschien heb je gelijk,” zegt ze zachtjes. “Ik wilde alleen maar helpen omdat ik bang ben dat jullie fouten maken die niet meer terug te draaien zijn. Maar misschien moet ik leren loslaten.”
Er valt een stilte waarin alleen het getik van de regen hoorbaar is.
“We willen je er graag bij betrekken,” zeg ik voorzichtig, “maar op onze manier. Dit is ons gezin nu.”
Ze knikt langzaam.
Twee dagen later verhuist Ria terug naar haar eigen huis – het dak is eindelijk gemaakt – en keert de rust terug in ons huis. Maar de littekens blijven nog even voelbaar.
Als onze dochter Lotte wordt geboren, staat Ria huilend naast mijn bed in het ziekenhuis – deze keer op gepaste afstand, maar met open armen.
Soms vraag ik me af: waarom is het zo moeilijk om grenzen te stellen tegenover familie? En hoe vind je balans tussen liefde en jezelf beschermen? Misschien hebben anderen hier ook mee geworsteld – wat zouden jullie doen als je in mijn schoenen stond?