Tussen Afstand en Onuitgesproken Woorden: Mijn Verhaal als Moeder
‘Waarom bel je nooit terug, mam?’
De woorden van mijn dochter Eva snijden door de stilte van mijn kleine keuken in Utrecht. Haar stem klinkt niet boos, maar moe. Ik staar naar het scherm van mijn telefoon, haar naam licht op, en ik voel de schaamte als een koude hand om mijn hart. ‘Ik… ik weet het niet, lieverd,’ stamel ik. ‘Het is gewoon… soms weet ik niet wat ik moet zeggen.’
Ze zucht aan de andere kant van de lijn. ‘Je hoeft niets te zeggen. Gewoon luisteren is soms al genoeg.’
Ik hoor haar ademhaling, hoor het onuitgesprokene tussen ons. Het is alsof we allebei op een smal bruggetje staan, boven een rivier vol oude verwijten en gemiste kansen. Ik wil haar vertellen dat ik haar mis, dat ik elke dag aan haar denk sinds ze na de scheiding bij haar vader in Amersfoort ging wonen. Maar de woorden blijven steken.
Na het telefoongesprek blijf ik nog lang zitten, mijn handen trillend om een halfvolle mok thee. Buiten regent het zachtjes tegen het raam. Mijn gedachten dwalen af naar die eerste maanden na de scheiding. Hoe ik probeerde sterk te zijn, voor mezelf én voor Eva. Maar hoe vaker ik haar belde, hoe korter onze gesprekken werden. Tot ze op een dag niet meer opnam.
‘Je moet haar gewoon laten,’ zei mijn zus Marleen altijd. ‘Ze komt wel terug als ze er klaar voor is.’ Maar Marleen heeft geen kinderen. Ze weet niet hoe het voelt als je eigen kind je langzaam uit haar leven laat verdwijnen.
De dagen worden weken. Ik stuur Eva appjes – foto’s van de kat, een grappige meme, een herinnering aan haar favoriete pannenkoeken die ik vroeger maakte. Soms krijg ik een duimpje terug, soms blijft het stil.
Op een avond zit ik met mijn moeder aan de keukentafel. Ze roert in haar koffie en kijkt me onderzoekend aan. ‘Je moet met haar praten, echt praten,’ zegt ze zacht. ‘Niet alleen over koetjes en kalfjes.’
‘Maar wat als ze niet wil luisteren?’ vraag ik.
‘Dan heb je het in ieder geval geprobeerd.’
Ik knik, maar diep vanbinnen ben ik bang. Bang dat Eva me zal vertellen wat ik al vrees: dat ik haar tekort heb gedaan.
Een week later besluit ik het erop te wagen. Ik stuur Eva een bericht: “Zullen we samen wandelen in het Griftpark? Ik wil graag met je praten.”
Tot mijn verbazing antwoordt ze vrijwel meteen: “Oké.”
De dag van de wandeling is grijs en kil. Eva staat al bij de ingang van het park als ik aankom. Ze draagt haar oude regenjas en heeft haar handen diep in haar zakken gestoken.
‘Hoi mam,’ zegt ze zonder me aan te kijken.
‘Hoi lieverd.’
We lopen zwijgend langs de vijver. Ik zoek naar woorden, maar alles klinkt in mijn hoofd te zwaar of te licht.
‘Weet je nog,’ begin ik voorzichtig, ‘hoe we hier vroeger altijd eendjes gingen voeren?’
Ze knikt vaag.
‘Eva…’ Mijn stem breekt. ‘Ik weet dat het niet goed is gegaan tussen ons na de scheiding. Ik heb fouten gemaakt. Maar ik wil graag weten hoe jij je voelt.’
Ze blijft abrupt staan en draait zich naar me toe. Haar ogen zijn vochtig.
‘Je hebt me nooit echt gezien, mam,’ zegt ze zacht. ‘Altijd druk met je werk, met je eigen verdriet. Ik voelde me altijd tweede keus.’
De woorden komen hard aan. Ik wil protesteren, uitleggen hoe moeilijk het was om alles draaiende te houden na papa’s vertrek, maar ik slik ze in.
‘Het spijt me,’ fluister ik. ‘Ik dacht dat ik het goed deed door sterk te zijn. Maar misschien was dat niet wat jij nodig had.’
Ze haalt haar schouders op. ‘Ik weet het niet meer. Soms denk ik dat we elkaar gewoon kwijt zijn geraakt.’
We lopen verder, zwijgend nu, maar iets is veranderd. De lucht lijkt lichter, alsof er ruimte is gekomen voor iets nieuws.
Thuis kan ik niet slapen. Eva’s woorden malen door mijn hoofd: “Je hebt me nooit echt gezien.” Heb ik zo gefaald als moeder? Of zijn we allebei slachtoffer van omstandigheden geweest?
De volgende dag belt Marleen onverwacht aan.
‘Hoe ging het?’ vraagt ze terwijl ze haar jas ophangt.
‘Moeilijk,’ geef ik toe. ‘Maar misschien ook wel goed.’
Ze knikt begrijpend en pakt twee mokken uit de kast.
‘Weet je,’ zegt ze terwijl ze thee inschenkt, ‘je kunt het verleden niet veranderen. Maar je kunt wel laten zien dat je er nu voor haar bent.’
Die avond stuur ik Eva opnieuw een bericht: “Wil je binnenkort bij mij komen eten? Ik maak jouw lievelingspasta.”
Ze antwoordt pas laat: “Misschien.”
Het is niet veel, maar het is iets.
De weken daarna probeer ik kleine stapjes te zetten. Ik vraag haar hoe het gaat op school, of ze hulp nodig heeft met haar studie psychologie aan de Universiteit Utrecht. Soms krijg ik korte antwoorden, soms helemaal niets.
Op een zondagmiddag staat ze ineens voor de deur.
‘Ik had zin in pasta,’ zegt ze schouderophalend.
We eten samen aan de keukentafel waar vroeger zoveel gelachen werd. Het gesprek blijft oppervlakkig – over studie, vriendinnen, haar bijbaan in een boekwinkel – maar er is geen spanning meer.
Na het eten help ik haar met de afwas.
‘Mam?’ zegt ze ineens zacht.
‘Ja?’
‘Denk je dat we ooit weer echt moeder en dochter kunnen zijn?’
Ik kijk haar aan en voel tranen prikken achter mijn ogen.
‘Dat hoop ik zo,’ zeg ik eerlijk. ‘Maar misschien moeten we opnieuw beginnen. Elkaar leren kennen zoals we nu zijn.’
Ze knikt langzaam en glimlacht voorzichtig.
Die nacht lig ik wakker en denk aan alle moeders die worstelen met hun kinderen, die zich schuldig voelen over fouten uit het verleden. Ik weet nu dat liefde niet altijd genoeg is – soms moet je ook luisteren, echt luisteren, naar wat er niet wordt gezegd.
Soms vraag ik me af: hoeveel onuitgesproken woorden zitten er nog tussen ons? En durven we die ooit allemaal uit te spreken?