Toen Mark Terugkwam: Een Onverwachte Thuiskomst na Verraad
‘Waarom ben je hier, Mark?’ Mijn stem trilde, terwijl ik de deur op een kier hield. Het was nog vroeg, de lucht grijs en zwaar van de regen. Ik stond daar in mijn oude pyjama, met uitgelopen mascara op mijn wangen – een overblijfsel van een slapeloze nacht. Achter Mark zag ik zijn auto nog dampen in de oprit. Hij had zijn handen diep in zijn jaszakken gestoken, alsof hij zich wilde verstoppen voor de kou – of voor mij.
‘Mag ik even binnenkomen, Sanne?’ vroeg hij zacht. Zijn stem klonk anders dan ik me herinnerde: gebroken, bijna smekend. Ik voelde mijn hart bonzen in mijn borstkas. Zes maanden geleden had hij onze voordeur achter zich dichtgetrokken, zonder om te kijken. Hij was vertrokken naar haar – Marieke van zijn werk, de vrouw met wie hij altijd net iets te lang bleef hangen na vergaderingen.
‘Waarom nu?’ fluisterde ik. Mijn vingers klemden zich om de deurknop. In de woonkamer hoorde ik het zachte getik van de klok en het gesnurk van onze hond, Max. Alles in huis was hetzelfde gebleven, behalve ik. Ik was veranderd – of probeerde dat tenminste.
Mark keek me aan met die blauwe ogen waar ik ooit verliefd op was geworden. ‘Ik… Ik heb een fout gemaakt, Sanne.’
Ik lachte schamper. ‘Dat weet ik al zes maanden.’
Hij slikte en keek naar zijn schoenen. ‘Mag ik alsjeblieft even binnenkomen? Het regent.’
Ik twijfelde. Alles in mij schreeuwde dat ik hem buiten moest laten staan, hem moest laten voelen wat ik had gevoeld: kou, verlatenheid, schaamte. Maar iets in zijn houding – misschien zijn gebogen schouders, misschien de manier waarop hij mijn naam uitsprak – deed me de deur verder openen.
‘Tien minuten,’ zei ik streng. ‘Niet langer.’
Hij stapte naar binnen en veegde zijn voeten af op de mat, alsof hij nooit was weggeweest. Max kwam slaperig aangelopen en kwispelde voorzichtig. Mark aaide hem over zijn kop. ‘Hey jongen…’
Ik liep naar de keuken en zette koffie, mijn handen trilden zo erg dat ik bijna het kopje liet vallen. Mark ging aan tafel zitten, precies op zijn oude plek. De stilte tussen ons was oorverdovend.
‘Hoe is het met je moeder?’ vroeg hij uiteindelijk.
‘Ze vraagt elke week waarom jij niet meer langskomt,’ antwoordde ik scherp. ‘Ik zeg dat je druk bent met je nieuwe leven.’
Hij knikte langzaam. ‘Ik heb haar vorige week gebeld.’
‘Oh? En wat zei ze?’
‘Dat ik een idioot ben.’
Ik kon een glimlach niet onderdrukken, maar het deed pijn. ‘Ze heeft gelijk.’
Mark keek me aan, zijn ogen rood door slaapgebrek of tranen – misschien allebei. ‘Sanne… Ik weet niet waar ik moet beginnen. Alles wat ik zeg klinkt als een slecht excuus.’
‘Dan moet je misschien gewoon luisteren,’ zei ik zacht.
Hij knikte en liet zijn hoofd in zijn handen zakken. De regen tikte harder tegen het raam. Ik dacht aan al die avonden dat ik alleen op de bank zat, wachtend op een berichtje dat nooit kwam. Aan de verjaardagen die hij miste, aan de lege stoel tijdens het kerstdiner.
‘Marieke…’ begon hij.
‘Wil ik niet horen,’ onderbrak ik hem fel.
‘Nee, luister alsjeblieft,’ smeekte hij. ‘Het was niet wat ik dacht dat het zou zijn. Ik voelde me leeg bij haar. Alles wat ik miste… was hier.’
Ik voelde tranen prikken achter mijn ogen, maar ik weigerde ze te laten zien. ‘En nu? Nu kom je terug omdat het gras niet groener bleek?’
Hij schudde zijn hoofd. ‘Nee… Ik kom terug omdat ik besef wat ik heb weggegooid. Omdat ik jou mis, Sanne. Omdat ik mezelf niet meer herken zonder jou.’
Ik stond op en liep naar het raam. Buiten stroomde het water langs de stoeptegels, net als mijn gedachten die alle kanten op gingen. Mijn moeder zei altijd: “Vertrouwen is als een vaas – als het breekt, kun je het lijmen, maar je ziet altijd de barsten.”
‘En wat verwacht je nu van mij?’ vroeg ik zonder me om te draaien.
‘Ik weet het niet,’ fluisterde hij. ‘Een kans om het uit te leggen? Om te laten zien dat ik veranderd ben?’
Ik draaide me om en keek hem recht aan. ‘En als ik je niet meer vertrouw? Als alles wat we hadden kapot is?’
Hij stond op en kwam dichterbij, maar bleef op afstand staan. ‘Dan ga ik weg. Maar alsjeblieft… geef me één kans om te bewijzen dat het anders kan.’
De klok sloeg negen uur. Max sprong tegen mijn been en piepte zachtjes – alsof hij voelde hoe gespannen de lucht was.
‘Weet je nog die avond in Zandvoort?’ vroeg Mark plotseling. ‘Toen we verdwaalden op het strand en jij boos werd omdat ik de weg niet wist?’
Ik glimlachte flauwtjes ondanks mezelf. ‘En jij zei dat verdwalen soms nodig is om iets nieuws te vinden.’
Hij knikte langzaam. ‘Misschien ben ik nu pas echt thuisgekomen.’
De stilte die volgde was zwaar en vol herinneringen – goede én slechte.
Plotseling rinkelde mijn telefoon: mijn zus Anne.
‘Sanne? Gaat het? Ik zag Marks auto staan…’
Ik zuchtte diep en liep naar de gang voor privacy.
‘Hij is hier,’ fluisterde ik.
‘Laat hem niet binnen!’ siste ze fel. ‘Je weet wat hij heeft gedaan!’
‘Ik weet het… Maar het voelt zo ingewikkeld.’
‘Mam komt straks langs,’ waarschuwde Anne nog snel voordat ze ophing.
Ik hing op en leunde tegen de muur. Mijn hoofd tolde van emoties: woede om wat Mark had gedaan, verdriet om wat we hadden verloren, hoop dat er misschien toch nog iets te redden viel.
Toen mijn moeder arriveerde – haar jas druipend van de regen – keek ze Mark vernietigend aan.
‘Wat doe jij hier?’ vroeg ze ijzig.
Mark stond op uit reflex. ‘Mevrouw Jansen…’
‘Noem me geen mevrouw Jansen,’ beet ze hem toe. ‘Je hebt mijn dochter genoeg pijn gedaan.’
Ik voelde me weer klein worden – alsof ik twaalf was en ruzie had met een klasgenootje op het schoolplein.
‘Mam…’ probeerde ik sussend.
Ze keek me aan met vochtige ogen. ‘Sanne, lieverd… Je verdient beter dan dit.’
Mark keek naar mij, wanhopig zoekend naar steun.
‘Misschien heeft ze gelijk,’ zei ik zachtjes tegen hem.
Hij knikte langzaam en pakte zijn jas van de stoel.
‘Als je wilt dat ik ga…’ begon hij.
Ik hield hem tegen met een handgebaar. ‘Nee… Wacht nog even.’
Mijn moeder zuchtte diep en ging aan tafel zitten, haar handen gevouwen als in gebed.
‘Wat wil jij zelf, Sanne?’ vroeg ze uiteindelijk zachtjes.
Die vraag bleef hangen in de kamer als mist na regen.
Ik keek naar Mark – naar alles wat we samen hadden opgebouwd én afgebroken. Naar Max die onrustig heen en weer liep tussen ons in.
‘Ik weet het niet,’ gaf ik eerlijk toe.
Mark keek me aan met tranen in zijn ogen – echte tranen deze keer.
‘Geef me tijd,’ zei ik uiteindelijk tegen hem.
Hij knikte dankbaar en verliet langzaam het huis, zonder nog iets te zeggen.
Mijn moeder sloeg haar arm om me heen terwijl we samen naar buiten keken hoe Mark in de regen verdween.
Die dag voelde als een nieuw begin – maar ook als een einde dat nog geen naam had gekregen.
Nu zit ik hier aan dezelfde keukentafel waar alles begon en vraag ik me af: Kun je ooit echt vergeven? Of blijven sommige barsten altijd zichtbaar?