Restjes van Liefde – Mijn Strijd met mijn Schoonmoeder en Schoonzus
‘Waarom heb jij de appeltaart niet zelf gebakken, Marloes? Je weet toch dat Jasmijn altijd zulke heerlijke taarten maakt?’ De stem van mijn schoonmoeder, Ans, snijdt als een mes door de woonkamer. Mijn handen trillen lichtjes terwijl ik de taart op tafel zet. Mijn man, Bas, kijkt ongemakkelijk naar zijn telefoon. Jasmijn, mijn schoonzus, glimlacht verlegen en zegt: ‘Ach, mam, Marloes heeft het vast druk gehad met de kinderen.’
Ik voel de blikken van iedereen op mij gericht. Mijn schoonmoeder zucht overdreven en snijdt een stuk van de taart af. ‘Nou, we zullen zien of hij te eten is.’ Het is altijd hetzelfde liedje. Elke zondag, als we bij Ans op bezoek gaan, voel ik me als een indringer in mijn eigen familie. Jasmijn, de dochter die alles goed doet, en ik, de schoondochter die altijd tekortschiet.
Na het eten help ik met opruimen. In de keuken fluistert Ans: ‘Je zou wat meer kunnen leren van Jasmijn. Zij weet tenminste hoe ze een gezin moet runnen.’ Mijn wangen gloeien van schaamte en woede. ‘Ik doe mijn best, Ans,’ antwoord ik zacht. Ze kijkt me aan met die kille blik. ‘Sommige mensen zijn gewoon niet gemaakt voor het moederschap.’
Op de terugweg naar huis zit ik stil naast Bas in de auto. De kinderen slapen op de achterbank. Bas probeert het gesprek luchtig te houden, maar ik kan de woorden van zijn moeder niet loslaten. ‘Waarom zeg je nooit iets?’ vraag ik uiteindelijk. Hij haalt zijn schouders op. ‘Ze bedoelt het niet zo, Marloes. Je weet hoe ze is.’
Maar ik weet het niet. Of misschien weet ik het juist te goed. Ans heeft altijd een zwak gehad voor Jasmijn. Zij is de dochter van Bas’ broer, maar na het overlijden van haar ouders is ze door Ans opgevoed als haar eigen kind. Ik begrijp het, echt. Maar waarom moet dat altijd ten koste van mij gaan?
De weken verstrijken en elke zondag herhaalt het patroon zich. Jasmijn krijgt complimenten over haar carrière, haar kinderen, haar huis. Als ik iets vertel over mijn werk op de basisschool, knikt Ans beleefd, maar haar ogen dwalen af. ‘Jasmijn heeft net promotie gemaakt, wist je dat al?’ zegt ze dan. Of: ‘Jasmijns kinderen zitten op hockey, zo knap van ze.’
Op een avond, als ik de kinderen naar bed heb gebracht, barst ik in tranen uit. Bas komt naast me zitten op de bank. ‘Ik kan dit niet meer,’ snik ik. ‘Elke keer voel ik me minderwaardig. Alsof ik nooit goed genoeg ben.’ Bas slaat een arm om me heen. ‘Je bent goed genoeg, Marloes. Voor mij, voor de kinderen. Laat mam maar praten.’
Maar het knaagt aan me. Op mijn werk voel ik me gewaardeerd, maar thuis, in de familie, ben ik altijd de tweede keus. Zelfs op verjaardagen lijkt het alsof ik er niet toe doe. Vorig jaar, op mijn eigen verjaardag, kreeg ik van Ans een setje theedoeken. Jasmijn kreeg een weekendje weg naar Maastricht. ‘Omdat ze het zo druk heeft gehad,’ zei Ans erbij.
Op een dag besluit ik dat het genoeg is. Ik wil niet langer zwijgen. De volgende zondag, als we bij Ans zijn, voel ik de spanning al bij binnenkomst. Jasmijn zit aan de keukentafel, lachend met Ans over een nieuwe cursus die ze volgt. Ik zet de schaal met wraps op tafel. ‘Heb je die zelf gemaakt?’ vraagt Ans, haar wenkbrauwen opgetrokken. ‘Ja, mam, Marloes heeft ze vanochtend nog staan rollen,’ zegt Bas snel. Ans knikt kort. ‘Nou, hopelijk zijn ze niet te droog.’
Ik voel iets in me breken. ‘Waarom doet u dit altijd?’ hoor ik mezelf zeggen. De kamer wordt stil. Ans kijkt me verbaasd aan. ‘Wat bedoel je?’
‘U doet altijd alsof ik niet goed genoeg ben. Alsof alles wat ik doe, minder is dan wat Jasmijn doet. Ik probeer mijn best te doen, maar het lijkt nooit genoeg. Waarom?’ Mijn stem trilt, maar ik voel me opgelucht dat ik het eindelijk zeg.
Ans kijkt me aan, haar mond open van verbazing. Jasmijn kijkt ongemakkelijk naar haar handen. Bas schuift zijn stoel naar achteren. ‘Marloes…’ begint Ans, maar ik onderbreek haar. ‘Nee, ik wil het weten. Wat heb ik verkeerd gedaan? Waarom mag ik er niet gewoon zijn zoals ik ben?’
Er valt een pijnlijke stilte. Dan zegt Ans: ‘Jij bent niet zoals Jasmijn. Zij begrijpt mij tenminste. Jij bent altijd zo… afstandelijk.’
‘Misschien omdat ik me nooit welkom voel,’ zeg ik zacht. ‘Elke keer als ik hier ben, voel ik me een buitenstaander. Ik wil gewoon deel uitmaken van deze familie, maar het lijkt alsof dat niet mag.’
Jasmijn legt haar hand op mijn arm. ‘Marloes, ik heb me ook vaak onzeker gevoeld. Mam bedoelt het niet slecht, maar ze weet soms niet hoe ze haar gevoelens moet uiten.’
Ans zucht diep. ‘Misschien heb ik je inderdaad niet altijd eerlijk behandeld. Maar ik ben bang om Jasmijn kwijt te raken. Zij is alles wat ik nog heb van mijn zoon.’
‘Maar ik ben ook familie,’ zeg ik. ‘En ik wil niet langer het gevoel hebben dat ik moet vechten voor mijn plek.’
Bas staat op en slaat zijn arm om me heen. ‘Mam, Marloes hoort erbij. Dat moet je accepteren.’
Ans kijkt naar ons, haar ogen glanzen. ‘Ik zal mijn best doen. Echt. Maar het is moeilijk voor me.’
Op de terugweg naar huis voel ik me opgelucht, maar ook verdrietig. Waarom heeft het zo lang moeten duren voordat ik mijn stem liet horen? Waarom is het zo moeilijk om gewoon geaccepteerd te worden zoals je bent?
Thuis, als ik de kinderen instop, denk ik aan alles wat er is gebeurd. Heb ik het juiste gedaan door eindelijk te spreken? Of heb ik de familie alleen maar verder uit elkaar getrokken? Soms vraag ik me af: hoeveel restjes liefde zijn er nog over, en is dat genoeg om op verder te bouwen?
Wat zouden jullie doen? Blijven zwijgen, of eindelijk je hart luchten, zelfs als dat alles verandert?