“Op zijn telefoon vond ik berichten van een andere vrouw”: Mijn zwijgen werd mijn grootste strijd

‘Wat is dit, Erik?’ Mijn stem trilt terwijl ik de telefoon in mijn handen klem. De woonkamer ruikt naar verse koffie, maar de lucht is zwaar van spanning. Erik kijkt op van zijn krant, zijn gezicht verstijft als hij ziet wat ik vasthoud. ‘Wat bedoel je, Anneke?’ probeert hij, maar zijn ogen verraden hem.

Ik had het niet moeten doen, dat weet ik. Maar toen zijn telefoon bleef trillen op het aanrecht, kon ik het niet laten. “Lieve Erik, ik mis je. Wanneer zie ik je weer?” stond er in het bericht van een onbekende vrouw, Marjolein. Mijn hart bonsde in mijn keel. Vijfendertig jaar samen, drie kinderen grootgebracht in ons huis in Amersfoort, en nu dit.

Ik slik de tranen weg. ‘Je weet best wat ik bedoel,’ fluister ik. Erik zucht diep en vouwt zijn krant op. ‘Het is niet wat je denkt.’

‘Niet wat ik denk?’ Mijn stem slaat over. ‘Erik, ik ben niet gek. Wie is Marjolein?’

Hij kijkt weg, naar de tuin waar onze appelboom in bloei staat. ‘Een collega,’ zegt hij uiteindelijk. ‘Het is niets.’

Die nacht lig ik wakker naast hem, luisterend naar zijn ademhaling. Mijn gedachten razen. Hoe lang al? Waarom? Ben ik niet genoeg? De stilte tussen ons groeit uit tot een kloof die niet meer te overbruggen lijkt.

De dagen erna doe ik alsof alles normaal is. Ik maak ontbijt, ruim op, ga naar de markt op zaterdag. Onze dochter Sanne belt: ‘Mam, kom je zondag eten? De kleintjes willen je zien!’ Ik hoor mezelf ja zeggen, maar voel me leeg.

Op zondag zitten we aan tafel bij Sanne en haar man Jeroen. De kinderen rennen rond, hun gelach klinkt als muziek die niet meer bij mij past. Erik lacht met Jeroen over voetbal, maar ik zie hoe hij af en toe op zijn telefoon kijkt. Sanne merkt mijn afwezigheid op. ‘Gaat het wel goed met jullie?’ vraagt ze zacht als we samen in de keuken staan.

Ik wil haar alles vertellen, maar slik het in. ‘We hebben het druk gehad,’ lieg ik.

’s Avonds thuis barst de bom. ‘Waarom zeg je niets?’ vraagt Erik als we samen de vaatwasser uitruimen.

‘Wat moet ik zeggen?’ snauw ik terug. ‘Dat mijn man na vijfendertig jaar blijkbaar iemand anders nodig heeft om zich geliefd te voelen?’

Hij staart naar de borden in zijn handen. ‘Het is niet zo simpel, Anneke.’

‘Nee,’ zeg ik bitter. ‘Dat is het nooit.’

De weken slepen zich voort. Ik word een schim van mezelf; loop doelloos door het huis, staar naar oude foto’s van vakanties in Zeeland, verjaardagen waarop we samen lachten. Mijn zus Karin merkt het als ze langskomt voor koffie.

‘Je bent zo stil,’ zegt ze voorzichtig.

Ik breek. Tranen stromen over mijn wangen terwijl ik haar alles vertel. Karin slaat haar armen om me heen. ‘Je hoeft dit niet alleen te dragen,’ fluistert ze.

Met haar steun besluit ik Erik te confronteren met alles wat ik voel. Op een regenachtige dinsdagavond zit ik tegenover hem aan tafel.

‘Ik wil weten waarom,’ begin ik zacht.

Erik kijkt me aan, zijn ogen rood van vermoeidheid. ‘Ik weet het niet,’ zegt hij uiteindelijk. ‘Misschien voelde ik me oud, onzichtbaar… Marjolein gaf me het gevoel dat ik er nog toe deed.’

‘En ik dan?’ vraag ik snikkend. ‘Was onze liefde dan niets meer waard?’

Hij schudt zijn hoofd, tranen glinsteren in zijn ogen. ‘Dat is het nooit geweest. Maar ergens onderweg zijn we elkaar kwijtgeraakt.’

We praten urenlang die nacht, over gemiste kansen, over hoe we elkaar vanzelfsprekend zijn gaan vinden. Over hoe het leven tussen werk, kinderen en verplichtingen ons langzaam uit elkaar heeft getrokken.

De dagen daarna voel ik me lichter en zwaarder tegelijk. Lichter omdat de waarheid eindelijk uitgesproken is; zwaarder omdat ik nu moet beslissen wat ik wil.

Sanne belt weer: ‘Mam, kom je logeren? Even eruit?’

Ik pak mijn tas en vertrek naar haar huis in Utrecht. Daar, tussen de chaos van kinderen en het warme gelach van familie, voel ik voor het eerst in weken weer iets van hoop.

’s Avonds zit ik met Sanne op de bank.

‘Wat ga je doen?’ vraagt ze voorzichtig.

Ik haal mijn schouders op. ‘Ik weet het niet. Kan je na zoiets ooit nog echt vertrouwen?’

Sanne pakt mijn hand vast. ‘Misschien moet je eerst jezelf weer leren vertrouwen.’

Die woorden blijven hangen als een echo in mijn hoofd.

Na een week keer ik terug naar huis. Erik wacht op me in de woonkamer.

‘Ik heb Marjolein verteld dat het voorbij is,’ zegt hij zonder omwegen.

Ik knik alleen maar. We praten opnieuw – over therapie, over opnieuw beginnen of misschien juist loslaten.

De maanden die volgen zijn zwaar en onzeker. We gaan samen naar relatietherapie; soms lijkt het alsof we dichter bij elkaar komen, soms voelt het alsof we vreemden zijn geworden.

Op een avond zitten we samen op het bankje in onze tuin, onder de appelboom die nu vol vruchten hangt.

‘Denk je dat we dit kunnen redden?’ vraagt Erik zacht.

Ik kijk naar de sterren boven ons en voel voor het eerst geen woede meer, alleen verdriet en een sprankje hoop.

‘Ik weet het niet,’ antwoord ik eerlijk. ‘Maar misschien is dat genoeg voor nu.’

En nu vraag ik me af: Hoeveel kan een hart verdragen voordat het breekt? En is liefde soms niet juist het lef om opnieuw te beginnen – of los te laten?